|
Mensen krijgen bij het woord ‘moeras’ vaak angstwekkende
associaties. Met veen en veenmos. Griezelig en gevaarlijk.
Mist en vocht. Dwaallichten en boze geesten. Witte wieven en
veenlijken. Hoogveen en laagveen. Hoogeveen in Drenthe en de
Hautes Fagnes in de Ardennen. In de Botanische Tuin valt dit
allemaal wel mee. Alhoewel… sinds kort hebben we ons eigen
veenlijk! Midden in het veenmos ontdekten we onlangs het
kadaver van een vos. Gestorven in alle eenzaamheid, met een
inmiddels wit gebleekte schedel en ribbenkast. Zo’n vondst
onderstreept nog eens het belang van de Botanische Tuin voor
de ecologische hoofdstructuur van Nijmegen. Uit het
buitengebied kunnen tal van wilde planten en dieren diep in
het stedelijke netwerk binnendringen. Deze vos zal zich in
Park Brakkenstein en op de campus van de Radbouduniversiteit
thuis hebben gevoeld. Op konijnenjacht of achter een fazant
aan; opruimer van weggegooide etenswaren.
Het moerasgedeelte van de Botanische Tuin zit vol veenmos.
De grijsgroene mosbulten bollen op tussen het riet. Zacht
verend en volgezogen met vocht. Bij de aanleg schijnen maar
liefst zeven verschillende veenmossoorten aangevoerd te
zijn, vanuit verschillende natuurgebieden in Europa. Het is
niet precies te zeggen hoeveel soorten er op dit moment nog
zijn. Er bestaan namelijk meer dan 100 verschillende
veenmossoorten waarbij de onderlinge verschillen ook nog
eens erg klein zijn. Specialistenwerk, waarbij gebruik van
een microscoop dikwijls onvermijdelijk is. Tijdens een
‘speurtocht’ is het niet zo lastig om enkele verschillen te
ontdekken. Bijvoorbeeld qua kleur of in vorm van de
blaadjes. Dit wil echter niet zeggen dat ook de juiste
benaming te vinden is. Ik volsta daarom maar met de algemene
aanduiding veenmos. Verdere details laat ik graag aan
mosspecialisten (bryologen) over. Zij wisten in het najaar
2009 in ieder geval vier verschillende veenmossoorten in de
Botanische Tuin op naam te brengen: Sphagnum denticulatum,
S. fimbriatum, S.imbricatum en S. squarosum. Het is maar dat
u het weet.
Evenals varens en paardenstaarten worden bladmossen,
levermossen en veenmossen gerekend tot de groep primitieve
planten. Veenmossen bezitten bijvoorbeeld geen vatenstelsel
voor vocht- en voedseltransport. Ook hebben ze geen wortels.
Wel kunnen veenmossen geweldige hoeveelheden water opslaan.
Er zijn cijfers bekend dat dit soms wel 25 keer hun eigen
gewicht is. Veenmosbulten kunnen dan ook gemakkelijk de
vergelijking doorstaan met een spons die boordevol gezogen
is met water. Veenmos-cellen moeten – hoe primitief ze dan
ook zijn - wel behoorlijk sterk zijn. Ze houden immers een
flinke waterkolom vast boven het omringende
grondwaterniveau.
De onderkant van Veenmos (Sphagnum) sterft voortdurend af.
De planten groeien aan de bovenkant door. Permanent naar
boven. Het gewicht van het opgezogen water drukt zwaar op de
afgestorven plantendelen. Hierbij ontstaat een zuurstofarm
milieu; het begin van het proces van veenvorming. Dit
resulteert na verloop van (veel) tijd in hoogveen. Zoals
vroeger geleerd, vindt het proces van hoogveenvorming niet
onder water plaats. Hierbij is slechts sprake van invloed
van zeer voedselarm hemelwater. Laagveenvorming verloopt
anders, want daarbij hopen afgestorven plantendelen zich op
onder de grondwaterspiegel. Grondwater is meestal
voedselrijker dan hemelwater.
Van Veenmos is bekend dat het antiseptische eigenschappen
bezit. Lange tijd gebruikte men Veenmos als
ontstekingsremmer. Toen men in huis nog geen waterleiding
bezat, had men de gewoonte om een pluk veenmos in de
waterput te hangen. Dit zogenoemde ‘putmos’ was bedoeld om
het putwater zuiver te houden, geschikt om te drinken.
Het meest tot de verbeelding spreekt natuurlijk de
ontdekking van tal van veenlijken uit lang vervlogen tijden.
Men heeft altijd aangenomen dat deze stoffelijke
overschotten zo lang intact konden blijven omdat ze door het
samengedrukte veenmos volledig afgesloten waren van
zuurstof. Het ontbindingsproces kon daardoor niet beginnen.
Tegenwoordig erkent men dat deze veenlijken ook zo lang in
goede staat bleven vanwege de antiseptische eigenschappen
van veenmos. De omstandigheden zouden er zo steriel zijn dat
schimmels en bacteriën niet tot ontwikkeling konden komen.
Men heeft onlangs ontdekt dat een zeer specifiek stofje in
veenmoscellen, namelijk Sphagnan, de hoofdverantwoordelijk
is voor blokkering van het afbraakproces van organisch
materiaal.
Overigens, voor de goede orde: het geraamte van onze veenvos
is ondertussen geruimd. Misschien wordt het nog eens
tentoongesteld. |
|