door dhr Antoon Kuhlmann

 

Toorts

 

29 juni

 

De meeste soorten van het geslacht Verbascum – Toorts zijn tweejarig. In het eerste jaar blijft het bij de vorming van een wortelrozet. Pas in het voorjaar van het tweede levensjaar verschijnt de bloemstengel. Na de bloei sterven de planten over het algemeen af. Het geslacht Verbascum is in de Arcadische en de Botanische tuin met een aantal soorten vertegenwoordigd. De meest opvallende soorten zijn Koningskaars (Verbascum thapsus) en Stalkaars (Verbascum densiflorum). Iets minder opvallend - maar niet minder fraai - is Mottenkruid (Verbascum blattaria). Alle soorten hebben een uitgesproken voorkeur voor zogenaamde ruderale plaatsen: plekken waar de grond los is gemaakt; wat gemengd met puin; verschillende grondsoorten door elkaar én een fors stikstofaanbod. Bijzonder geschikt blijkt de grondwal achter in de Arcadische tuin, bij de afrastering langs de spoorlijn. De toortsen voelen zich daar duidelijk thuis. Er staan daar exemplaren van wel 1,5 tot 2 meter hoog.Als het ware kolossale zilvergrijze bouwwerken, met de ene etage blad na de ander, in een fraai afwisselend patroon, eindigend in een stevige bloemstengel vol met gele bloemen. Bij Koningskaars en Stalkaars valt op dat het bloeitijdstip van de verschillende bloemen onregelmatig is. Als eerste begint de onderste bloem te bloeien en daarna de bloemen die er boven zitten, met de bloemen in de top als laatste. Bij Koningskaars en Stalkaars gebeurt het wat slordiger; willekeurig langs de stengel staan een paar bloemen in bloei. Bij Zwarte toorts en Mottenkruid verloopt de bloeivolgorde wel ‘normaal’, dit wil zeggen keurig netjes van onder naar boven.

Het verschil tussen Stalkaars en Koningskaars is een beetje lastig uit te leggen. Van eerstgenoemde zijn de bloemen in ieder geval een stuk groter, namelijk wel 5 centimeter in doorsnee. Die van Koningskaars worden niet groter dan 2 à 3 centimeter. Het blad van beide soorten is wollig behaard, met een zilvergrijze kleur. De heldergele bloemen hebben vijf meeldraden. De meeldraden lijken bekleed met gele wol. De twee onderste meeldraden zijn in ieder geval altijd een flink stuk langer dan de andere. Door de stand van de meeldraden en de wollige beharing lijkt net alsof er midden in elke bloem een vlieg of een ander insect zit.

De soortnaam Verbascum is eigenlijk een verbastering van het Latijnse woord Barbascum: de baardige. Deze naam duidt ongetwijfeld op het grijze uiterlijk. Blad en stengel ruiken onaangenaam. De bloemen echter ruiken juist heerlijk zoet. Daarom komen waarschijnlijk ook zo veel verschillende insectensoorten op toortsen af. De zoete geur wordt niet veroorzaakt door honingkliertjes, maar is te danken aan het suikergehalte in de cellen van de bloemen welke ongewoon hoog is. De zoet smakende bloemen werden in vroegere tijden dan ook wel gegeten als middel tegen een schorre keel. In ieder geval kregen toortsen in de volksgeneeskunst allerlei gunstige eigenschappen toegedicht, zoals bij keelontsteking en steenpuisten of ter bestrijding van winterhanden en wintervoeten. Ook werden de planten voor een aantal opvallende doelen gebruikt. De naam ‘toorts’ maakt dit al een beetje duidelijk. De forse bloemstengels werden vroeger met teerachtige stoffen bestreken en daarna als fakkel in brand gestoken. De wollige beharing van het blad werd gedroogd en in tondeldozen bewaard om het daarna te gebruiken bij het aanmaken van vuur. Ook werden de viltige bladeren vaak afgeplukt en in schoenen of laarzen gestopt met de bedoeling om voeten beter warm te houden. Dat waren nog eens tijden!

Met enig geluk kan men in de maand juni de prachtige rups van de Kuifvlinder op het blad van de toortsen ontdekken. Ook in Hortus Arcadië! De rupsen hebben een lichtgrijze basiskleur, met lichtgele vlekken en zwarte figuurtjes en lijnen. De rups wordt maar liefst 5 tot 8 centimeter groot. Een veelvraat dus, die weinig heel laat van de viltige bladeren.

Mottenkruid blijft een stuk kleiner dan Stalkaars en Koningskaars; het blad is ook niet grijs behaard maar gewoon fris groen. De bloemen zijn soms geel, soms wit met een lichtroze zweem. Elke bloem bezit wel de vijf oranjegele meeldraden die aan de basis voorzien lijken van een violette beharing. Let eens op de opvallend fraaie bloemknoppen: puntgaaf opgevouwen tot een envelop, in een volledig regelmatige vijfhoek. Nergens anders treft men deze vorm aan. De wetenschappelijke naam van Mottenkruid luidt Verbascum blattaria. Het Latijnse ‘blatta’ staat voor kakkerlak. Het oude verhaal dat kakkerlakken daadwerkelijk in een hoopje afgeplukte bladeren van deze soort zouden gaan zitten, mag anno 2009 naar het rijk der fabelen worden verwezen.

 

naar Plant v.d. week Archief

Onregelmatige bloeivolgorde Stalkaars

Regelmatige bloeivolgorde Zwarte toorts

bloemdetail Stalkaars

Rups van Kuifvlinder

   Zwarte toorts en Mottenkruid  : Bloemknoppen met een
 volmaak regelmatige vijfhoek

Onder:
bloemdetail van beide soorten