|
Toorts
29 juni De meeste
soorten van het geslacht Verbascum – Toorts zijn tweejarig. In het
eerste jaar blijft het bij de vorming van een wortelrozet. Pas in het
voorjaar van het tweede levensjaar verschijnt de bloemstengel. Na de
bloei sterven de planten over het algemeen af. Het geslacht Verbascum is
in de Arcadische en de Botanische tuin met een aantal soorten
vertegenwoordigd. De meest opvallende soorten zijn Koningskaars (Verbascum
thapsus) en Stalkaars (Verbascum densiflorum). Iets minder opvallend -
maar niet minder fraai - is Mottenkruid (Verbascum blattaria). Alle
soorten hebben een uitgesproken voorkeur voor zogenaamde ruderale
plaatsen: plekken waar de grond los is gemaakt; wat gemengd met puin;
verschillende grondsoorten door elkaar én een fors stikstofaanbod.
Bijzonder geschikt blijkt de grondwal achter in de Arcadische tuin, bij
de afrastering langs de spoorlijn. De toortsen voelen zich daar
duidelijk thuis. Er staan daar exemplaren van wel 1,5 tot 2 meter hoog.Als
het ware kolossale zilvergrijze bouwwerken, met de ene etage blad na de
ander, in een fraai afwisselend patroon, eindigend in een stevige
bloemstengel vol met gele bloemen. Bij Koningskaars en Stalkaars valt op
dat het bloeitijdstip van de verschillende bloemen onregelmatig is. Als
eerste begint de onderste bloem te bloeien en daarna de bloemen die er
boven zitten, met de bloemen in de top als laatste. Bij Koningskaars en
Stalkaars gebeurt het wat slordiger; willekeurig langs de stengel staan
een paar bloemen in bloei. Bij Zwarte toorts en Mottenkruid verloopt de
bloeivolgorde wel ‘normaal’, dit wil zeggen keurig netjes van onder naar
boven.
Het verschil tussen Stalkaars en Koningskaars is een beetje lastig uit
te leggen. Van eerstgenoemde zijn de bloemen in ieder geval een stuk
groter, namelijk wel 5 centimeter in doorsnee. Die van Koningskaars
worden niet groter dan 2 à 3 centimeter. Het blad van beide soorten is
wollig behaard, met een zilvergrijze kleur. De heldergele bloemen hebben
vijf meeldraden. De meeldraden lijken bekleed met gele wol. De twee
onderste meeldraden zijn in ieder geval altijd een flink stuk langer dan
de andere. Door de stand van de meeldraden en de wollige beharing lijkt
net alsof er midden in elke bloem een vlieg of een ander insect zit.
De soortnaam Verbascum is eigenlijk een verbastering van het Latijnse
woord Barbascum: de baardige. Deze naam duidt ongetwijfeld op het grijze
uiterlijk. Blad en stengel ruiken onaangenaam. De bloemen echter ruiken
juist heerlijk zoet. Daarom komen waarschijnlijk ook zo veel
verschillende insectensoorten op toortsen af. De zoete geur wordt niet
veroorzaakt door honingkliertjes, maar is te danken aan het
suikergehalte in de cellen van de bloemen welke ongewoon hoog is. De
zoet smakende bloemen werden in vroegere tijden dan ook wel gegeten als
middel tegen een schorre keel. In ieder geval kregen toortsen in de
volksgeneeskunst allerlei gunstige eigenschappen toegedicht, zoals bij
keelontsteking en steenpuisten of ter bestrijding van winterhanden en
wintervoeten. Ook werden de planten voor een aantal opvallende doelen
gebruikt. De naam ‘toorts’ maakt dit al een beetje duidelijk. De forse
bloemstengels werden vroeger met teerachtige stoffen bestreken en daarna
als fakkel in brand gestoken. De wollige beharing van het blad werd
gedroogd en in tondeldozen bewaard om het daarna te gebruiken bij het
aanmaken van vuur. Ook werden de viltige bladeren vaak afgeplukt en in
schoenen of laarzen gestopt met de bedoeling om voeten beter warm te
houden. Dat waren nog eens tijden!
Met enig geluk kan men in de maand juni de prachtige rups van de
Kuifvlinder op het blad van de toortsen ontdekken. Ook in Hortus
Arcadië! De rupsen hebben een lichtgrijze basiskleur, met lichtgele
vlekken en zwarte figuurtjes en lijnen. De rups wordt maar liefst 5 tot
8 centimeter groot. Een veelvraat dus, die weinig heel laat van de
viltige bladeren.
Mottenkruid blijft een stuk kleiner dan Stalkaars en Koningskaars; het
blad is ook niet grijs behaard maar gewoon fris groen. De bloemen zijn
soms geel, soms wit met een lichtroze zweem. Elke bloem bezit wel de
vijf oranjegele meeldraden die aan de basis voorzien lijken van een
violette beharing. Let eens op de opvallend fraaie bloemknoppen:
puntgaaf opgevouwen tot een envelop, in een volledig regelmatige
vijfhoek. Nergens anders treft men deze vorm aan. De wetenschappelijke
naam van Mottenkruid luidt Verbascum blattaria. Het Latijnse ‘blatta’
staat voor kakkerlak. Het oude verhaal dat kakkerlakken daadwerkelijk in
een hoopje afgeplukte bladeren van deze soort zouden gaan zitten, mag
anno 2009 naar het rijk der fabelen worden verwezen.
naar Plant v.d.
week Archief |