door dhr Antoon Kuhlmann

Speenkruid

 

14 februari

De kans is niet uitgesloten dat u nog nooit hebt gehoord van het begrip “Signatuurleer”. Niet dat ik hieraan veel geloof hecht, maar toch een korte toelichting. Het verband met Speenkruid zal gaandeweg wel duidelijk worden.
Signatuurleer is een onderdeel van de oude volksgeneeskunde. Deze legt een relatie tussen de verschijningsvorm van planten en hun geneeskrachtige werking. Planten met vingervormige bladeren zouden bijvoorbeeld heilzaam zijn voor winterhanden. Of planten met rode vruchten zouden een gunstig effect hebben op de bloedsomloop. Longkruid is ook zo’n signatuurplant. Het blad ervan kent een groengrijs vlekkenpatroon dat wel enige overeenkomst vertoont met weefsel van onze longen. Daarom zou Longkruid medicinale eigenschappen bezitten tegen verschillende longkwalen. Het opvallende hierbij is dat wetenschappelijk is aangetoond dat sommige planten inderdaad dergelijke geneeskrachtige eigenschappen bezitten. Het gaat me echter te ver om dit toe te schrijven aan de uiterlijke verschijningsvorm. Op het gevaar af nu boven op iemands tenen te gaan staan, lijkt dit meer een toevalskwestie te zijn.
De naam Speenkruid is afgeleid van de kleine, knolvormige wortelknolletjes. Ze worden ook wel speentjes genoemd. Speen is een Oudhollands woord voor aambei. De gelijkenis tussen deze knolletjes en aambeien is treffend. En wat blijkt? Al in de oudheid werd Speenkruid met succes gebruikt bij de behandeling van aambeien. Een bevestiging van de signatuurleer of toeval? Men zou haast gaan twijfelen! Het is inmiddels wel duidelijk dat het geen aanbeveling verdient om Speenkruid voor inwendige behandeling te gebruiken. De kans op bijwerkingen als gevolg van giftige stoffen is gewoon te groot.
Aan het eind van de winter verschijnen de eerste blaadjes van Speenkruid boven de grond. Glimmend donkergroen; hart- tot niervormig. Snel hierna verschijnen de gele bloemetjes. Dit jonge blad blijkt boordevol vitamine C te zitten. De waardering voor deze eigenschap is af te lezen uit de Duitse benaming: ‘Scharbockkraut’ of te wel ‘kruid tegen scheurbuik’. Vroeg in het voorjaar is dit jonge blad uitstekend te verwerken in salades. Het smaakt goed en is gezond. Zodra de bloeiperiode begint, is het beter om hiermee te stoppen. Vanaf dat moment namelijk worden in het blad steeds meer giftige stoffen aangemaakt. Het blad gaat dan ook bitter smaken. Voor vee voldoende reden om Speenkruid in de wei links te laten liggen. Desondanks blijkt blad van Speenkruid een prima middel voor een gezichtsbehandeling. Het recept hiervoor: een handvol blaadjes een paar minuten koken in een halve liter water. Daarna afkoelen en zeven. Dit kooknat reinigt de gezichthuid uitstekend. Poriën sluiten zich. Rimpels zouden als sneeuw voor de zon verdwijnen. Een tip die het uitproberen waard is. Ook hier geldt echter: ‘Behaalde resultaten in het verleden, bieden geen garantie voor de toekomst’.
De bloeiperiode van Speenkruid begint meestal al in februari, zeker op beschutte plekjes. Na een strengere winter begint de bloei pas in maart. De stervormige bloemetjes van Speenkruid vertonen een sterke gelijkenis met die van de gewone boterbloemen. Ze behoren dan ook beide tot de familie van de Ranunculaceae. Helder gele, glimmende bloemblaadjes. Ze zien er een beetje vettig, haast beboterd uit. Speenkruid telt 8 tot 10 gele kroonblaadjes. Boterbloemen hebben er minder, meestal niet meer dan 5 of 6.

Speenkruid bloeit in een periode waarin – in Nederland althans - niet zoveel insecten vliegen die voor bestuiving kunnen zorgen. De temperatuur is hier gewoon te laag. In februari of maart tellen de paar schaarse bijen en hommels nu eenmaal niet echt aan. Daarom komt het in onze streken bij Speenkruid dan ook bijna nooit tot zaadvorming. Speenkruid heeft zich hiertegen gewapend. De soort heeft zich gespecialiseerd in vegetatieve vermenigvuldiging. Ten eerste sterven alle bovengrondse delen van de plantjes in de loop van de maand mei af. Afgebroken stoffen worden als reservevoedsel opgeslagen in bruingele, knolvormige of ‘speenvormige’ verdikkingen, die tussen de korte witte worteltjes geklemd zitten. Deze knolletjes zijn 1 tot 2 centimeter lang. Deze reservevoorraad blijft hier bewaard tot het eind van de volgende winter, zodat op dat moment direct geprofiteerd kan worden van de eerste zonnestralen. Tegen het eind van de bloeiperiode worden in de bladoksels van Speenkruid ook nog eens kleine witte broedknolletjes gevormd. Deze zijn niet bestemd voor opslag van voedingsstoffen. Zodra de planten afsterven, raken deze broedbolletjes de grond en schieten vervolgens wortel. Er is dan sprake van een groep nieuwe plantjes rondom de ‘moederplant’.
De Hollandse geleerde Dodoens viel het in 1554 al op dat verschillende plantensoorten zoveel op elkaar lijken. Er bestond toen nog geen wetenschappelijk onderbouwd systeem om planten op naam te brengen. Dodoens beschreef in zijn Cruijdtboeck nauwkeurig drie plantensoorten die ongeveer gelijktijdig met goudgele bloemen bloeien: Stinkende gouwe, Kleine gouwe en Grote gouwe. De naam Stinkende gouwe gebruiken we nog steeds; de wetenschappelijke naam ervan is Chelidonium majus. De Grote gouwe zijn we inmiddels Dotterbloem gaan noemen. In plaats van Kleine gouwe gebruikt tegenwoordig iedereen de naam Speenkruid. Dodoens schrijft (enigszins bewerkt!): “Die Kleine gouwe vormt een kruipende kruidendeken met kleine, dunne, bruinachtige steeltjes en kleine ronde blaadjes. Zijn bloempjes zijn geel en lijken op boterbloemen. Zijn wortels zijn vleesachtig, waaraan veel knopachtige worteltjes hangen. Elk met knopjes die op een tarwe- of gerstekorrel lijken”. Ook in de Botanische tuin groeit Speenkruid in overvloed. Er is genoeg gelegenheid om eens te letten op het verschil tussen de wortel- en broedknolletjes. Op de speentjes dus.














 

Speenkruid als bodembedekker in de Botanische Tuin

Acht (tot tien) kroonblaadjes

 

Wortelknolletjes ("speentjes")

Broedknolletjes in bladoksels van Speenkruid

 

naar Plant v.d. week Archief