De kans is niet uitgesloten dat u nog nooit hebt gehoord van het
begrip “Signatuurleer”. Niet dat ik hieraan veel geloof hecht,
maar toch een korte toelichting. Het verband met Speenkruid zal
gaandeweg wel duidelijk worden.
Signatuurleer is een onderdeel van de oude volksgeneeskunde.
Deze legt een relatie tussen de verschijningsvorm van planten en
hun geneeskrachtige werking. Planten met vingervormige bladeren
zouden bijvoorbeeld heilzaam zijn voor winterhanden. Of planten
met rode vruchten zouden een gunstig effect hebben op de
bloedsomloop. Longkruid is ook zo’n signatuurplant. Het blad
ervan kent een groengrijs vlekkenpatroon dat wel enige
overeenkomst vertoont met weefsel van onze longen. Daarom zou
Longkruid medicinale eigenschappen bezitten tegen verschillende
longkwalen. Het opvallende hierbij is dat wetenschappelijk is
aangetoond dat sommige planten inderdaad dergelijke
geneeskrachtige eigenschappen bezitten. Het gaat me echter te
ver om dit toe te schrijven aan de uiterlijke verschijningsvorm.
Op het gevaar af nu boven op iemands tenen te gaan staan, lijkt
dit meer een toevalskwestie te zijn.
De naam Speenkruid is afgeleid van de kleine, knolvormige
wortelknolletjes. Ze worden ook wel speentjes genoemd. Speen is
een Oudhollands woord voor aambei. De gelijkenis tussen deze
knolletjes en aambeien is treffend. En wat blijkt? Al in de
oudheid werd Speenkruid met succes gebruikt bij de behandeling
van aambeien. Een bevestiging van de signatuurleer of toeval?
Men zou haast gaan twijfelen! Het is inmiddels wel duidelijk dat
het geen aanbeveling verdient om Speenkruid voor inwendige
behandeling te gebruiken. De kans op bijwerkingen als gevolg van
giftige stoffen is gewoon te groot.
Aan het eind van de winter verschijnen de eerste blaadjes van
Speenkruid boven de grond. Glimmend donkergroen; hart- tot
niervormig. Snel hierna verschijnen de gele bloemetjes. Dit
jonge blad blijkt boordevol vitamine C te zitten. De waardering
voor deze eigenschap is af te lezen uit de Duitse benaming:
‘Scharbockkraut’ of te wel ‘kruid tegen scheurbuik’. Vroeg in
het voorjaar is dit jonge blad uitstekend te verwerken in
salades. Het smaakt goed en is gezond. Zodra de bloeiperiode
begint, is het beter om hiermee te stoppen. Vanaf dat moment
namelijk worden in het blad steeds meer giftige stoffen
aangemaakt. Het blad gaat dan ook bitter smaken. Voor vee
voldoende reden om Speenkruid in de wei links te laten liggen.
Desondanks blijkt blad van Speenkruid een prima middel voor een
gezichtsbehandeling. Het recept hiervoor: een handvol blaadjes
een paar minuten koken in een halve liter water. Daarna afkoelen
en zeven. Dit kooknat reinigt de gezichthuid uitstekend. Poriën
sluiten zich. Rimpels zouden als sneeuw voor de zon verdwijnen.
Een tip die het uitproberen waard is. Ook hier geldt echter:
‘Behaalde resultaten in het verleden, bieden geen garantie voor
de toekomst’.
De bloeiperiode van Speenkruid begint meestal al in februari,
zeker op beschutte plekjes. Na een strengere winter begint de
bloei pas in maart. De stervormige bloemetjes van Speenkruid
vertonen een sterke gelijkenis met die van de gewone
boterbloemen. Ze behoren dan ook beide tot de familie van de
Ranunculaceae. Helder gele, glimmende bloemblaadjes. Ze zien er
een beetje vettig, haast beboterd uit. Speenkruid telt 8 tot 10
gele kroonblaadjes. Boterbloemen hebben er minder, meestal niet
meer dan 5 of 6.
Speenkruid bloeit in een periode waarin – in Nederland althans -
niet zoveel insecten vliegen die voor bestuiving kunnen zorgen.
De temperatuur is hier gewoon te laag. In februari of maart
tellen de paar schaarse bijen en hommels nu eenmaal niet echt
aan. Daarom komt het in onze streken bij Speenkruid dan ook
bijna nooit tot zaadvorming. Speenkruid heeft zich hiertegen
gewapend. De soort heeft zich gespecialiseerd in vegetatieve
vermenigvuldiging. Ten eerste sterven alle bovengrondse delen
van de plantjes in de loop van de maand mei af. Afgebroken
stoffen worden als reservevoedsel opgeslagen in bruingele,
knolvormige of ‘speenvormige’ verdikkingen, die tussen de korte
witte worteltjes geklemd zitten. Deze knolletjes zijn 1 tot 2
centimeter lang. Deze reservevoorraad blijft hier bewaard tot
het eind van de volgende winter, zodat op dat moment direct
geprofiteerd kan worden van de eerste zonnestralen. Tegen het
eind van de bloeiperiode worden in de bladoksels van Speenkruid
ook nog eens kleine witte broedknolletjes gevormd. Deze zijn
niet bestemd voor opslag van voedingsstoffen. Zodra de planten
afsterven, raken deze broedbolletjes de grond en schieten
vervolgens wortel. Er is dan sprake van een groep nieuwe
plantjes rondom de ‘moederplant’.
De Hollandse geleerde Dodoens viel het in 1554 al op dat
verschillende plantensoorten zoveel op elkaar lijken. Er bestond
toen nog geen wetenschappelijk onderbouwd systeem om planten op
naam te brengen. Dodoens beschreef in zijn Cruijdtboeck
nauwkeurig drie plantensoorten die ongeveer gelijktijdig met
goudgele bloemen bloeien: Stinkende gouwe, Kleine gouwe en Grote
gouwe. De naam Stinkende gouwe gebruiken we nog steeds; de
wetenschappelijke naam ervan is Chelidonium majus. De Grote
gouwe zijn we inmiddels Dotterbloem gaan noemen. In plaats van
Kleine gouwe gebruikt tegenwoordig iedereen de naam Speenkruid.
Dodoens schrijft (enigszins bewerkt!): “Die Kleine gouwe vormt
een kruipende kruidendeken met kleine, dunne, bruinachtige
steeltjes en kleine ronde blaadjes. Zijn bloempjes zijn geel en
lijken op boterbloemen. Zijn wortels zijn vleesachtig, waaraan
veel knopachtige worteltjes hangen. Elk met knopjes die op een
tarwe- of gerstekorrel lijken”. Ook in de Botanische tuin groeit
Speenkruid in overvloed. Er is genoeg gelegenheid om eens te
letten op het verschil tussen de wortel- en broedknolletjes. Op
de speentjes dus.
|
|
|
|
 |
|
|
|
|
|
|
|
Speenkruid als bodembedekker in de Botanische Tuin |
 |
|
|
|
Acht
(tot tien) kroonblaadjes |
|
|
 |
 |
|
|
|
|
 |
|
Wortelknolletjes ("speentjes") |
 |
|
Broedknolletjes in bladoksels van Speenkruid |
 |
|
|
|
naar Plant v.d.
week Archief |
|