door dhr Antoon Kuhlmann

Nagelkruid

 

24 mei

In deze aflevering staan Gewoon en Knikkend Nagelkruid centraal. Twee plantensoorten die door hun elegantie en eenvoud onze aandacht meer dan waard zijn. Op tal van plekken zijn ze op dit moment van het jaar te bewonderen. Neem deze gelegenheid eens te baat tijdens een wandeling door Hortus Arcadië. De naam ‘nagelkruid’ roept in eerste instantie de associatie op met vingernagels of iets dergelijks. Dit is niet het geval. De naam is afgeleid van de geur van de wortelstok. Deze ruikt een beetje naar kruidnagel. Vandaar de naam. Knikkend nagelkruid heeft als wetenschappelijke naam Geum rivale. Beide vreemde woorden duiden erop dat de plant bij voorkeur langs beekjes, sloten en op andere vochtige plekken groeit. In de Hortus is de soort te vinden op de ‘beschaduwde’ kant van het Alpinetum, in de buurt van de zgn. holleweg. De bloei valt al eind april – begin mei. De bloemen zijn opvallend. Enigszins roze-geel van kleur, gevat in een roodbruine kelk. Een bijzondere kleurentegenstelling. De bloemen hangen geknikt naar beneden, als klokjes. Na de bloei strekken de bloemstengels zich en steken de vruchtjes recht boven de plant uit.

Gewoon Nagelkruid heeft als wetenschappelijke naam Geum urbanum. Het Latijnse woord urbanum betekent zoiets als ‘in bebouwde omgeving’ . Deze soort wordt 50 tot 75 centimeter hoog en bloeit een paar weken later dan Knikkend nagelkruid, namelijk vanaf eind mei tot eind september. De soort heeft heldergele bloemetjes, bestaande uit vijf bloembladeren. Deze bloemen staan in het volle zicht, hangen dus niet naar beneden. Het grote aantal meeldraden, meestal meer dan 20 stuks, is kenmerkend voor de Rozenfamilie waartoe beide Nagelkruidsoorten behoren. Na de bloei verschijnen de roodbruine vruchtjes. Deze dragen een S-vormige haakje aan het uiteinde. Hiermee blijven de vruchtjes gemakkelijk hangen aan de huid of kleren van langskomende dieren en mensen. Via deze weg verspreidt de soort zich gemakkelijk.

Gewoon nagelkruid treft men bijna overal op halfbeschaduwde plekken aan. Bij voorkeur op plekken die wat vochtig en enigszins voedselrijk zijn. Als een van de weinige soorten behouden beide soorten hun bladrozet in de winterperiode. De ‘fotosynthese’ gaat in die tijd ongestoord verder. De daarbij gevormde energie wordt opgeslagen in een uitgebreid wortelstelsel. Hierdoor blijken deze soorten bestand te zijn tegen vrij sterke schaduwdruk in de zomerperiode en tegen droogtestress.

Normaliter groeien Knikkend en Gewoon nagelkruid op verschillende standplaatsen. Ook de bloeitijd van beide soorten loopt uiteen. Door menselijke invloed komen beide soorten echter soms op een zelfde plek voor. Meestal als gevolg van menselijke activiteit zoals grondtransport of kapactiviteiten in beboste gebieden. In Hortus Arcadië is Knikkend nagelkruid - waarschijnlijk bij de aanleg tussen 1969 / 1971 - bewust aangeplant. In onze Hortus Arcadië valt te constateren dat beide soorten de gelegenheid te baat nemen om onderling te kruisen. Allerlei bastaardvormen kan men aantreffen. In de bosranden, dicht bij het Alpinetum hebben deze kruisingen nog verschillende kenmerken van Knikkend nagelkruid, zoals het vroege bloeitijdstip (begin mei), de relatief grote bloemen (1,5 tot 2,5 centimeter), bruinrode en / of grotere kelkblaadjes. In de richting van het universiteitsterrein of de spoorlijn overheersen bij kruisingen steeds meer de kenmerken van Gewoon nagelkruid: kleine citroengele kroonblaadjes en geen bruinrode verkleuringen meer in stengel of bloem. Erg dit soort kruisingen? Nee… het oorspronkelijke Knikkend Nagelkruid is sterk genoeg om zich te handhaven en het Gewone nagelkruid groeit overal zo uitbundig dat men zich geen zorgen hoeft te maken voor enige mixexemplaren. Wel interessant om zo’n hybridenzwerm te ontdekken.

 

naar Plant v.d. week Archief

Knikkend Nagelkruid: omgebogen bloem en opstaande kluwen vruchten

Detail: vruchtjes Nagelkruid

áGewoon Nagelkruid á

Winterrozet Nagelkruid - winter 2009

←     Hybride-zwerm Knikkend en Gewoon Nagelkruid (kruisingen)  Hortus Arcadië,  mei 2009  →