Verder groeit muskuskruid op verschillende plekken in het
bosachtige gedeelte, grenzend aan Park Brakkenstein. Ga eens op
zoek!
De wetenschappelijke naam van Muskuskruid luidt Adoxa
moschatellina. In Europa is deze plantensoort de enige telg van
zijn plantenfamilie; slechts in Oost-Azië leven nog een paar
verre verwanten. Heel bijzonder dus een plantenfamilie die maar
één of enkele soorten kent. De muskusgeur is niet erg sterk. De
lichte aasgeur is echter voldoende om vliegen aan te trekken die
op hun beurt voor de bestuiving zorg dragen. Adoxa betekent
overigens “zonder glorie”. Een omschrijving die nog al
veelzeggend is, want – zo op het eerste gezicht - maken de
bloemen van Muskuskruid niet erg veel indruk.
Muskuskruid is maar een klein plantje, 5 tot 15 centimeter hoog.
De plant heeft een ondergrondse wortelstok. De bladeren zijn een
beetje mat- en blauwgroen gekleurd; ze lijken wel wat op het
blad van bosanemoon en voorjaarshelmbloem. Het grote verschil is
dat precies in het midden van elke (vierkante!) bloemstengel
twee bladen tegen over elkaar staan. Verder heeft deze
bloemstengel geen blad.
Muskuskruid houdt het aan het eind van het voorjaar al snel voor
gezien. De bladeren sterven dan snel af. De plant gaat verder
ondergronds, tot het volgende voorjaar.
U hebt nog een paar weken te tijd om te letten op de bloempjes
van Muskuskruid. Zoals gezegd zijn die niet spectaculair. De
bloemetjes staan telkens met zijn vijven bij elkaar; alle vijf
loodrecht op elkaar. Zo vormen ze met hun vijven een soort
kubusje of dobbelsteentje op een steeltje. De bloemslippen zijn
groengeel van kleur. Soms bestaan de bloempjes uit 5
bloemblaadjes, soms uit slechts 4 stuks. Het aantal meedraden
past zich hierop aan: 5 of 4 helmdraden, die aan de basis
gesplitst zijn in 2 helmknoppen. Zo lijkt het dat elk bloemetje
10 of 8 helmdraden bezit. Schijn bedriegt echter.
Met de vruchtjes van Muskuskruid is nog iets bijzonders aan de
hand. Na de bloeiperiode gaat de bloemstengel spiraalvormige
bewegingen maken. Uiteindelijk raken de stengel met de vruchtjes
eraan de grond. Die vruchtjes worden vervolgens dikwijls door
slakken opgegeten. Die slakken zorgen voor verdere verspreiding.
De zaden verlaten namelijk na enige tijd onverteerd het
slakkenlichaam. Zo ziet u maar weer: in de natuur hangt alles
met elkaar samen! |
|