door dhr Antoon Kuhlmann

Morgenster

 

7 juni

Morgenster: de naam wekt waarschijnlijk al enige nieuwsgierigheid. Een plant die alleen ’s ochtends bloeit, tot 12.00 uur, en het daarna even voor gezien houdt. Tot de volgende morgen. Grote, stervormige bloemen, opvallend geel of blauwpaars gekleurd. Een schoonheid dus waarover wel wat meer te vertellen is. Morgenster behoort tot de familie van de Composieten of te wel van de ‘samengesteldbloemige’. Soorten van deze familie hebben een groot aantal afzonderlijke bloempjes, die meestal ook nog eens verschillend van vorm zijn. Deze bloempjes zitten dicht bij elkaar op een zogenaamd ‘hoofdje’. Deze verzameling bloemetjes wordt samengehouden door groene omwindselblaadjes. Qua vorm hebben de bloemen van Morgenster veel overeenkomsten met die van de Paardebloem. Meestal ook de gele kleur.
Morgenster is echter in alles veel groter. De bloemen zijn meestal 4 tot 5 centimeter in doorsnee; de witte pluizenbollen zijn ook een stuk groter dan die van Paardebloem. Het blad is echter totaal anders. Geen bladrozet dicht tegen de grond gedrukt, maar vertakte stengels met over de hele lengte heldergroene of grijsgroene bladeren. Dit blad lijkt wel wat op dat van gras; het is namelijk lang, smal en meestal wat gebogen.

De meeste soorten van het geslacht Morgenster hebben heldergele bloemen. Die van de Paarse Morgenster zijn inderdaad paars van kleur. De groene omwindselblaadjes zijn normaliter een stuk langer dan de fel gekleurde lintbloemen. Daardoor ontstaan typische kleurcombinaties: geel – groen of paarsblauw – groen. Ook worden hierdoor de punten van een ster duidelijk. Een knots, voorzien van uitstekende ijzeren punten, werd in de Middeleeuwen ook wel ‘morgenster’ genoemd. Dit geduchte slagwapen heeft namelijk een treffende gelijkenis met de bloemen van Morgenster. De lintbloemen van de Oosterse morgenster worden maar liefst 7 centimeter in doorsnee. Ze zijn hierdoor een stuk groter dan de groene omwindselblaadjes; deze steken dan ook niet uit buiten de gele bloemen. De groene omwindselblaadjes omsluiten het bloemhoofdje, opvallend groot en kegelvormig. Deze omwindselblaadjes zijn niet allemaal even lang; soms steekt er al wat zaadpluis uit. Hierdoor ontstaat de indruk van een geitenbaard. Een oud-Nederlandse naam van deze soort luidt dan ook “Boksbaard”. Dit is de letterlijke vertaling van de wetenschappelijke (Griekse) soortnaam: Tragopodon. Na de bloei verschijnt de zilvergrijze pluizenbol, met honderden zaadjes, elk voorzien van een haarkrans die als ‘parachute’ door de lucht kunnen zweven. Elk parapluutje kan wel 3 tot 4 centimeter lang zijn. Net donsveertjes. Normaliter sterft de plant na de bloei af. Dit afsterven is te voorkomen door de bloemen direct na de bloei af te knippen. Een dilemma waarmee elke groenbeheerder worstelt, want hierna deze manier worden natuurlijk geen pluizenbollen meer gevormd. De opvallende kleuren (geel en paars) vormen al eeuwenlang een uitdaging voor wetenschappers.

Linnaeus experimenteerde halverwege de 18e eeuw al met kruisingen tussen Gele morgenster en Paarse morgenster. Hij probeerde zo een nieuwe soort te scheppen en tegelijkertijd meer te weten te komen over de erfelijke eigenschappen van de beide ouders. DNA-onderzoek in een heel vroeg stadium! Paarse morgenster is te vinden in de Arcadische tuin, vlak bij de kassen en de kantoorruimte. Oosterse morgenster groeit aan de voet van het Alpineteum van Hortus Arcadië. Paarse morgenster (met de wetenschappelijke naam Tragopodon porrifolius) hoort thuis in de landen rond de Middellandse Zee. Op verschillende plaatsen in Noord Nederland, vooral op oude dijklichamen, blijkt de soort echter ook volledig ingeburgerd te zijn. De Oosterse morgenster kan men af en toe aantreffen in graslanden langs de grote rivieren. Van oudsher wordt Paarse morgenster gekweekt. De wortel blijkt een smakelijke maar tegenwoordig ‘vergeten’ groente. Deze wortel heeft qua structuur en smaak veel weg van de schorseneer, een nauw verwante soortgenoot. De wortels van Morgenster schijnen naar oesters te smaken; in Amerika noemt men de soort ook wel “Oysterplant”. Schorseneer heeft paarszwarte wortels; de wortel van Paarse morgenster is echter juist wit van kleur. Deze ouderwetse groente noemde men vroeger ook wel Haverwortel (verbastering van het Duitse Haferwurzel), soms echter Salzafij (verbastering van het Franse Salsifis). De wortel van Paarse morgenster werd destijds niet alleen als groente gebruikt, maar kende ook tal van medicinale doeleinden toepassingen. Urinedrijvend; tegengaan van hevig transpiratie, bloedzuiverend, tegen jicht, reumatiek en allerlei huidziekten. Een goed idee wellicht wanneer er weer eens bezuinigd moet worden op de ziektekosten.

ápaarse Morgenster -

Morgenster knots ↓

Spiraalvormige opbouw bloeiwijze

Vruchtpluis van Paarse morgenster

naar Plant v.d. week Archief