|
Zo midden in de winter valt er in de Botanische Tuin niet zo
erg veel te zien van de soortenrijkdom. Deze is er wel
degelijk, maar veel verstopt zich u eventjes ondergronds.
Soms onttrekt een laagje sneeuw het zicht op de soorten die
normaliter ’s winters toch te zien zijn. Maar ook sneeuw
ligt er tijdelijk; het smelt immers voor de zon. Mansoor is
een van die weinige, wintergroene soorten. Het is een
laagblijvend plantje, zo’n 10 tot 15 centimeter hoog, met
glanzend, donkergroene bladeren. De een omschrijft de
bladvorm als niervormig. Andere personen wijzen er op dat
dit blad op een treffende manier lijkt op een mensenoor.
Beide kwalificaties voldoen. Toch bleek de laatste
overeenkomst voldoende doorslaggevend om de soort in het
Nederlandse taalgebied aan te duiden als ‘mansoor’. Het
gebeurt overigens wel vaker dat plantennamen verwijzen naar
bepaalde lichaamsdelen. Bijvoorbeeld: ezelsoor, muizenoor,
varkensoor, judasoor of lamsoor.
De bladvorm heeft wel wat weg van die van de Cyclaam, maar
het blad daarvan is meer driehoekig, licht gekarteld terwijl
de bovenkant ervan altijd grijsachtig gemarmerd is. De
mansoren lijken wat slordig verstrooid plat op de grond te
liggen. Eigenlijk zijn het steeds twee bladeren, die
paarsgewijs aan een kort stengeltje zitten. In de oksel van
deze twee bladstengels verschijnt de bloem. Niet meer dan
één. De platte bloemknop wordt al in het najaar gevormd en
wacht onbeschermd tot de bloeitijd in het voorjaar erna. De
donkerpaarsbruine, bekervormige bloemetjes zijn niet groter
dan circa 1 centimeter. Men kan ze lastig ontdekken, want de
kleur valt nauwelijks op en ze zitten volledig verscholen
onder het blad.
Mansoor komt in onze streken van oorsprong niet voor. De
soort is hier ingevoerd vanuit Centraal en Zuid Europa. Hij
heeft een voorkeur voor een kalkrijke, beschaduwde en tevens
vochtige groeiplaats. Op dit soort plekken in de Botanische
Tuin is Mansoor dan ook te vinden.
Mansoor bezit enkele bijzonder eigenschappen. Ten eerste is
gemalen mansoor wortel prima als verfstof voor linnen en wol
te gebruiken. Deze stoffen zouden prachtig appelgroen
gekleurd worden. Onduidelijk blijft wel hoeveel wortels van
dit kleine plantje nodig zijn om een enigszins acceptabel
kleureffect te krijgen. Het zal toch niet de bedoeling zijn
om hiervoor een complete onderbegroeiing te rooien. Zowel
blad als de dunne, gedraaide wortelstok ruiken en smaken
uitgesproken naar peper. Zo erg zelfs dat mensen er vaak
misselijk van worden. Vanwege deze eigenschap wordt
mansoorblad- en wortel gebruikt voor medicinale doeleinden:
als braakmiddel. Hierdoor blijkt het een prima middel om
dronkenschap tegen te gaan. Vanwege de peperachtige smaak en
geur werd de gedroogde wortelstok ook wel gemalen en
vervolgens toepast als niespoeder.
Een heel oud recept draagt de naam “Poeder van de heilige
engel”. Deze benaming vormde al genoeg reden om te speuren
naar achtergrondinformatie. Veel verder ben ik echter niet
gekomen. Het blijkt namelijk een geheim geneesmiddel te
zijn. Het is echter volstrekt onduidelijk tegen welke ziekte
of aandoening het helpt. Wel is achterhaald dat heksen in de
omgeving van Parijs vroeger dit “poeder van de heilige
engel” maakten. Ze gebruikten hiervoor 500 gram
Mansoorwortel, 12 gram Betonie, 4 gram IJzerhard …. en 4
gram gedroogde padden. Op het eerste gezicht een weinig
appetijtelijke combinatie. Voldoende reden om met enige
belangstelling op zoek te gaan naar dit kleine plantje, maar
het daarbij ook wel te laten. De donkergroene mensenoren
zullen u zeker ’s winters niet ontgaan. Alhoewel: toch maar
even wachten totdat de sneeuw verdwenen is.
naar Plant v.d.
week Archief |
|
|
|
 |
|
|
|
Bladeren gelijkend op oorschelp ↑ |
|
|
 |
|
Nauwelijks opvallend bloemetje ↑ |
 |
|
|
|
Bloemknoppen in de herfst ↑ |
 |
|
Mansoor op Alpinum ↑ |
|
|
|
|
|
|
|
|
|