Het spreekt haast vanzelf om vroeg in het voorjaar aandacht te
vestigen op de Crocus. De winter is voorbij. Een bont palet van
crocussen geeft voortuinen plotseling kleur, van de ene dag op
de ander. Grasvlakten in parken pronken met een vrolijke paarse
en lila ondergroei. Zo ook in de Hortus Arcadië. Vooral onder
bomen en in de bosachtige gedeelten voelt de Crocus zich thuis.
Wie goed oplet, kan gemakkelijk verschillende soorten herkennen.
Het meest bekend is eigenlijk wel de Bonte crocus (met de
wetenschappelijke naam Crocus vernus; ‘vernus’ betekent
‘lente’). Deze staan ook meestal in siertuinen. De bloemen ervan
hebben maar een korte bloemstengel. De zes bloemslippen vormen
een wat uitgebolde trechter. Deze bloemslippen zijn meestal
gestreept, in alle kleurvarianten tussen wit, paars en gemengd.
Opvallend oranje is de lange stamper, uitlopend in zes
waaiervormige vertakkingen. De meeldraden vallen minder snel op.
Ze zijn helder geel, beter gezegd safraangeel gekleurd. In het
oorspronkelijke groeigebied, Zuid- Europa en vooral Turkije en
Armenie worden de meeldraden geoogst als kleurstof.
De Boerencrocus (wetenschappelijke naam: Crocus tommasinianus)
verwildert gemakkelijk. De lila en paarse bloemen duiken overal
op in de Hortus. Ze zaaien zich dan ook gemakkelijk uit. Op
verschillende plekken zijn de nieuwe kiembladen te ontdekken.
Het lijkt dan alsof er juist een nieuw grasveldje is ingezaaid.
Hoe kan men de de Boerencrocus herkennen van andere soorten? Een
veel langere bloembuis, meestal egaal en grijswittig van kleur.
De bloemslippen zijn meestal lila of licht paars. Deze slippen
zijn ook wat spitser dan de Bonte crocus. Eenmaal goed in bloei
spreiden deze bloembladen zich stervormig uit en vormen niet
echt een trechter zoals de Bonte crocus.
|
|