door dhr Antoon Kuhlmann

Bekervaren

 

17 januari

Zelfs hartje winter blijkt geschikt te zijn om aandacht te schenken aan een varenplant, zoals aan de Bekervaren. Niet om de normale groene bladeren, maar speciaal vanwege de zwartebruine vruchtbladeren die ’s winters fier rechtop blijven staan en donker boven het sneeuwdek uitsteken. Bekervaren is dus niet wintergroen, maar winterbruin. Men kan zich hiervan op het Alpinum van de Botanische Tuin overtuigen. Daar groeit een forse groep.
Varens worden gerekend tot de primitievere plantensoorten. Ze zijn minder ver ontwikkeld. Beter gezegd: ze zijn anders ontwikkeld dan de meer bekende zaadplanten. Al in de oertijd bedekten varens de aarde, samen met bijvoorbeeld vertegenwoordigers van de Paardenstaarten. Veel varensoorten uit de oertijd zijn al lang uitgestorven; een beperkt aantal heeft het echter overleefd. Ook in Nederland zijn verschillende varensoorten inheems. Ze blijken allemaal een uitgesproken voorkeur te hebben voor beschaduwde en vochtige plekken. Zelfs Eikvaren kiest heel selectief de plekken uit om te groeien. Duingebieden staan er vaak vol

van, maar hun aanwezigheid beperkt zich tot noordhellingen die niet in de felle zon liggen te bakken.

Varens en Paardenstaarten stammen beide uit de oertijd. Deze primitievelingen staan aan het startpunt van de evolutie. Varens ontwikkelden zich in de loop van de tijd echter anders dan Paardenstaarten. Varens maakten ‘meer werk’ van bladvorming. Paardenstaarten gaven nauwelijks prioriteit aan de ontwikkeling van bladgroen, maar ontwikkelden juist een cirkelvormig stelsel van vaatbundels. Hierdoor konden Paardenstaarten beter de hoogte in groeien; ze hechtten een groter belang aan een goed functionerend aan- en afvoerstelsel van water en voedingsstoffen. Het vaatbundelstelsel van varens blijft tot op de dag van vandaag nog steeds erg eenvoudig. In de U-vormige bladstengels van bijvoorbeeld Bekervaren zitten slechts twee vaatbundelgroepen voor water- en voedseltransport. Varens groeien dan ook nog steeds niet echt in de hoogte; de bladeren ontspruiten telkens vanuit de basis. Stengelvorming komt niet voor. Soms lijkt het daar wel een beetje op, maar dan is er eigenlijk sprake van een speciale groeiwijze van de bladeren.

In ons taalgebied worden de namen Bekervaren en Struisvaren door elkaar gebruikt. Toch gaat het hierbij telkens om dezelfde soort. De eerste naam is ontleend aan de bekervormige groeiwijze van de bladeren. In het voorjaar schieten de bladeren de grond uit. Ze beginnen als een soort horlogeveer die langzaam steeds verder wordt afgerold. Uiteindelijk ontstaat een appelgroene trechter van soms wel een meter hoog. De geveerde bladeren zijn aan beide kanten volkomen groen. In tegenstelling tot veel andere varensoorten zijn de bladeren van de Bekervaren steriel. Ze hebben geen bruine ‘sporendoosjes’ aan de onderkant van het blad. In de nazomer ontstaan in het hart van de ‘varenbeker’ aparte vruchtbladeren. Deze ‘fertiele’ bladeren zijn bruinzwart gekleurd en worden niet meer dan circa 50 centimeter hoog. Ze overleven kaarsrecht de strengste winter. Deze gespecialiseerde vruchtbladeren zitten vol met sporen die voor volgende bekervarengeneraties kunnen zorgen. Bekervaren kan zich overigens ook prima verder verspreiden met worteluitlopers. In de Botanische Tuin is daarom af en toe menskracht nodig om Bekervaren letterlijk en figuurlijk binnen de perken te houden.

Naast Bekervaren wordt ook de naam Struisvaren gebruikt. De wetenschappelijke naam vormt een gemakkelijke verklaring voor deze naamvariant. Deze luidt namelijk Matteucia struthiopteris. Komt wel vaker voor dat planten de naam krijgen van een bepaalde wetenschapper. Dit is hier ook het geval. Matteucia is genoemd naar de Italiaanse bioloog Matteucci (1800 – 1886). Struthiopteris is een samenvoeging van de Griekse woorden stroution (=struisvogel) en pteris (=vleugel). Deze varenbladeren doen blijkbaar sterk denken aan struisvogelveren. Vandaar: struisvaren.
Bekervaren groeit van nature in de bosgebieden van centraal Europa. Ze zijn hier dus niet inheems, maar geïmporteerd. Bij de aanleg van tuinen en parken wordt Bekervaren graag gebruikt Uit de weelderige groei valt op te maken dat Bekervaren zich hier dan ook prima thuis voelt. Een goed voorbeeld van geslaagde integratie.
In sommige streken worden de jonge varenscheuten gegeven. Deze scheuten moeten zich dan nog wel in het “opgerolde veer-stadium” bevinden. Deze gedraaide toppen worden door beslag gehaald en daarna gefrituurd. Het schijnt een lekkernij te zijn. Goed oppassen is echter geboden. Ten eerste: men heeft voor een maaltje wel erg veel bladtoppen nodig; er blijft geen Bekervaren meer over. Ten tweede: Bekervaren is gemakkelijk te verwisselen met andere soorten zoals Mannetjes- en Wijfjesvaren. De bladeren en de bladtoppen van deze inheemse varensoorten zijn behoorlijk giftig. Een geringe hoeveelheid kan al aanleiding zijn voor blijvende verlammingsverschijnselen. Laten die bekers dus maar rustig staan.

 

 

 

 

 

naar Plant v.d. week Archief

 

Ontwikkeling bladscheuten in voorjaar

‘opgerolde horlogeveren’

Detail blad Bekervaren

U-constructie stengel varenblad + 2 vaatbundels

Donkerbruine vruchtbladeren midden in de beker