|
van, maar hun aanwezigheid
beperkt zich tot noordhellingen die niet in de felle zon liggen
te bakken.
Varens en Paardenstaarten stammen beide uit de oertijd. Deze
primitievelingen staan aan het startpunt van de evolutie. Varens
ontwikkelden zich in de loop van de tijd echter anders dan
Paardenstaarten. Varens maakten ‘meer werk’ van bladvorming.
Paardenstaarten gaven nauwelijks prioriteit aan de ontwikkeling
van bladgroen, maar ontwikkelden juist een cirkelvormig stelsel
van vaatbundels. Hierdoor konden Paardenstaarten beter de hoogte
in groeien; ze hechtten een groter belang aan een goed
functionerend aan- en afvoerstelsel van water en
voedingsstoffen. Het vaatbundelstelsel van varens blijft tot op
de dag van vandaag nog steeds erg eenvoudig. In de U-vormige
bladstengels van bijvoorbeeld Bekervaren zitten slechts twee
vaatbundelgroepen voor water- en voedseltransport. Varens
groeien dan ook nog steeds niet echt in de hoogte; de bladeren
ontspruiten telkens vanuit de basis. Stengelvorming komt niet
voor. Soms lijkt het daar wel een beetje op, maar dan is er
eigenlijk sprake van een speciale groeiwijze van de bladeren.
In ons taalgebied worden de namen Bekervaren en Struisvaren door
elkaar gebruikt. Toch gaat het hierbij telkens om dezelfde
soort. De eerste naam is ontleend aan de bekervormige groeiwijze
van de bladeren. In het voorjaar schieten de bladeren de grond
uit. Ze beginnen als een soort horlogeveer die langzaam steeds
verder wordt afgerold. Uiteindelijk ontstaat een appelgroene
trechter van soms wel een meter hoog. De geveerde bladeren zijn
aan beide kanten volkomen groen. In tegenstelling tot veel
andere varensoorten zijn de bladeren van de Bekervaren steriel.
Ze hebben geen bruine ‘sporendoosjes’ aan de onderkant van het
blad. In de nazomer ontstaan in het hart van de ‘varenbeker’
aparte vruchtbladeren. Deze ‘fertiele’ bladeren zijn bruinzwart
gekleurd en worden niet meer dan circa 50 centimeter hoog. Ze
overleven kaarsrecht de strengste winter. Deze gespecialiseerde
vruchtbladeren zitten vol met sporen die voor volgende
bekervarengeneraties kunnen zorgen. Bekervaren kan zich
overigens ook prima verder verspreiden met worteluitlopers. In
de Botanische Tuin is daarom af en toe menskracht nodig om
Bekervaren letterlijk en figuurlijk binnen de perken te houden.
Naast Bekervaren wordt ook de naam Struisvaren gebruikt. De
wetenschappelijke naam vormt een gemakkelijke verklaring voor
deze naamvariant. Deze luidt namelijk Matteucia struthiopteris.
Komt wel vaker voor dat planten de naam krijgen van een bepaalde
wetenschapper. Dit is hier ook het geval. Matteucia is genoemd
naar de Italiaanse bioloog Matteucci (1800 – 1886).
Struthiopteris is een samenvoeging van de Griekse woorden
stroution (=struisvogel) en pteris (=vleugel). Deze
varenbladeren doen blijkbaar sterk denken aan struisvogelveren.
Vandaar: struisvaren.
Bekervaren groeit van nature in de bosgebieden van centraal
Europa. Ze zijn hier dus niet inheems, maar geïmporteerd. Bij de
aanleg van tuinen en parken wordt Bekervaren graag gebruikt Uit
de weelderige groei valt op te maken dat Bekervaren zich hier
dan ook prima thuis voelt. Een goed voorbeeld van geslaagde
integratie.
In sommige streken worden de jonge varenscheuten gegeven. Deze
scheuten moeten zich dan nog wel in het “opgerolde veer-stadium”
bevinden. Deze gedraaide toppen worden door beslag gehaald en
daarna gefrituurd. Het schijnt een lekkernij te zijn. Goed
oppassen is echter geboden. Ten eerste: men heeft voor een
maaltje wel erg veel bladtoppen nodig; er blijft geen Bekervaren
meer over. Ten tweede: Bekervaren is gemakkelijk te verwisselen
met andere soorten zoals Mannetjes- en Wijfjesvaren. De bladeren
en de bladtoppen van deze inheemse varensoorten zijn behoorlijk
giftig. Een geringe hoeveelheid kan al aanleiding zijn voor
blijvende verlammingsverschijnselen. Laten die bekers dus maar
rustig staan.
naar Plant v.d.
week Archief |
|