|
Op het eerste gezicht lijkt de wijze, waarop planten zijn
opgebouwd en vervolgens op naam zijn gebracht, erg
systematisch in elkaar te zitten. Planten hebben wortels en
een stengel; de bladeren aan die stengel kunnen van vorm
verschillen; de stengels dragen aan het uiteinde bloemen die
elk voor zich bestaan uit groene kelkbladeren en meestal fel
gekleurde kroonbladeren. Deze opzet lijkt eenvoudig, maar
Winterakoniet zorgt vooral voor verwarring hierin. Dit
begint al bij de naamgeving. De wetenschappelijke naam luidt
Eranthis hyemalis. Uit het Grieks vertaald: lentebloem. In
het Nederlands noemen we hem echter winterakoniet. De
Nederlandse benaming van de soort Aconitum luidt vervolgens
Monnikskap. Winterakoniet en Monnikskap zijn in het geheel
geen familie van elkaar. Winterakoniet behoort tot de
familie van de Ranunculaceae, de Boterbloemachtigen.
Een volgende verwarring is te zien bij de planten zelf.
Beter gezegd: de plantjes. Ze worden namelijk niet hoger dan
5 tot 10 cm. Dicht onder de botergele bloemetjes zit een
kraagje met diep ingesneden groene blaadjes. Deze zijn niet
gesteeld en lijken op kelkblaadjes, maar in werkelijkheid
zijn het gewone stengelbladeren. De 6 gele bloemblaadjes
blijken vervolgens kelkblaadjes te zijn. En de
kroonblaadjes? Die zijn totaal vervormd tot gele kokertjes,
midden in de bloem, tussen de meedraden. Deze kokertjes
zitten vol met honing, bedoeld om in het vroege voorjaar de
eerste bijen en hommels aan te lokken. De plant heeft zich
volledig aangepast aan minder gunstige omstandigheden.
Wetmatigheden moeten daarvoor wijken.
“Eén zwaluw maakt nog geen zomer” is een bekend gezegde. Een
eerste bloempje van een winterakoniet wil dan ook niet
zeggen dat de lente begonnen is. Ze zijn als voorjaarsboden
beslist onbetrouwbaar. Wanneer het in januari een paar dagen
lang wat warmer is, begint de bloei soms al. In de weken
erna kan er desondanks nog best een dik pak sneeuw volgen;
zelfs een Elfstedentocht is niet uitgesloten.
Winterakonieten blijken echter bij uitstek te kunnen
profiteren van zonlicht en iets hogere temperaturen. Ze
hebben al snel voldoende energie om de bloemstengels door
het dorre blad heen te steken. Eerst met de bloemknop naar
beneden, maar weldra is dit bloemetje naar boven open
gespreid. Met een beetje zon vouwt de bloem haar blaadjes
open; aan het eind van elke dag worden ze weer dichtgeklapt.
Schijnt de zon een dag niet, dan blijven de bloemen
gesloten. Anders zou er sprake zijn van energieverspilling;
voor bijen en hommels is het op zo’n dag immers ook te koud.
Tijdens de gehele bloeiperiode wordt de bloemstengel telkens
een stukje langer en steekt daardoor steeds een beetje
verder uit boven de omringende begroeiing. Aan het eind van
het voorjaar houdt Winterakoniet het voor gezien. Het
bladerdek is dan te dicht geworden. De plantjes kunnen geen
optimaal gebruik meer maken van zonlicht. Het blad sterft
af. Alle verzamelde groeikracht wordt afgevoerd naar kleine
ondergrondse worstelstokjes. In afwachting van het volgende
voorjaar.
Winterakoniet is hier niet inheems. Oorspronkelijk komt de
soort uit Centraal Europa en het gebied van de Balkan en
Griekenland. Eenmaal aangeplant blijken plantjes van de
Winterakoniet het hier goed te doen. Ze handhaven zich hier
prima, maar de soort verspreidt zich niet spontaan over heel
Nederland. Men moet de soort echt gericht aanplanten.
Winterakoniet is pas laat in Nederland ingevoerd. Dit
gebeurde pas grootschalig in de eerste helft van de 19e
eeuw, dus nog geen 200 jaar geleden. Veelal bleef aanplant
ook nog eens beperkt tot grote tuinen, parken en
landgoederen. Dit zijn dan ook de belangrijkste redenen
waarom echte Hollandse volksnamen voor deze soort ontbreken.
Alle onderdelen van Winterakoniet zijn giftig. Glycoside
blijkt de grote boosdoener. Deze stof veroorzaakt
misselijkheid, benauwdheid en leidt soms tot ernstige
hartritmestoornissen. Voorzichtigheid is daarom geboden. Al
in de Griekse oudheid was de giftigheid van Winterakoniet
bekend. Zo bestond één van de heldendaden van Heracles uit
het ontvoeren van de hellehond Cerberus. Dit
afschrikwekkende, driekoppige monster moest uit het diepste
der aarde gehaald worden. Eenmaal geconfronteerd met het
felle zonlicht, begon het beest luid te blaffen. Zijn
speeksel vloog daarbij in het rond. Overal, waar deze
druppels de grond raakte, begonnen winterakonieten te
groeien. Daarom het advies: evenals hellehonden kan men ook
winterakonieten beter maar niet zonder handschoenen
aanpakken. Men is hierbij gewaarschuwd. |
|