door dhr Antoon Kuhlmann

Winterakoniet

 

7 februari

Op het eerste gezicht lijkt de wijze, waarop planten zijn opgebouwd en vervolgens op naam zijn gebracht, erg systematisch in elkaar te zitten. Planten hebben wortels en een stengel; de bladeren aan die stengel kunnen van vorm verschillen; de stengels dragen aan het uiteinde bloemen die elk voor zich bestaan uit groene kelkbladeren en meestal fel gekleurde kroonbladeren. Deze opzet lijkt eenvoudig, maar Winterakoniet zorgt vooral voor verwarring hierin. Dit begint al bij de naamgeving. De wetenschappelijke naam luidt Eranthis hyemalis. Uit het Grieks vertaald: lentebloem. In het Nederlands noemen we hem echter winterakoniet. De Nederlandse benaming van de soort Aconitum luidt vervolgens Monnikskap. Winterakoniet en Monnikskap zijn in het geheel geen familie van elkaar. Winterakoniet behoort tot de familie van de Ranunculaceae, de Boterbloemachtigen.

Een volgende verwarring is te zien bij de planten zelf. Beter gezegd: de plantjes. Ze worden namelijk niet hoger dan 5 tot 10 cm. Dicht onder de botergele bloemetjes zit een kraagje met diep ingesneden groene blaadjes. Deze zijn niet gesteeld en lijken op kelkblaadjes, maar in werkelijkheid zijn het gewone stengelbladeren. De 6 gele bloemblaadjes blijken vervolgens kelkblaadjes te zijn. En de kroonblaadjes? Die zijn totaal vervormd tot gele kokertjes, midden in de bloem, tussen de meedraden. Deze kokertjes zitten vol met honing, bedoeld om in het vroege voorjaar de eerste bijen en hommels aan te lokken. De plant heeft zich volledig aangepast aan minder gunstige omstandigheden. Wetmatigheden moeten daarvoor wijken.
“Eén zwaluw maakt nog geen zomer” is een bekend gezegde. Een eerste bloempje van een winterakoniet wil dan ook niet zeggen dat de lente begonnen is. Ze zijn als voorjaarsboden beslist onbetrouwbaar. Wanneer het in januari een paar dagen lang wat warmer is, begint de bloei soms al. In de weken erna kan er desondanks nog best een dik pak sneeuw volgen; zelfs een Elfstedentocht is niet uitgesloten. Winterakonieten blijken echter bij uitstek te kunnen profiteren van zonlicht en iets hogere temperaturen. Ze hebben al snel voldoende energie om de bloemstengels door het dorre blad heen te steken. Eerst met de bloemknop naar beneden, maar weldra is dit bloemetje naar boven open gespreid. Met een beetje zon vouwt de bloem haar blaadjes open; aan het eind van elke dag worden ze weer dichtgeklapt. Schijnt de zon een dag niet, dan blijven de bloemen gesloten. Anders zou er sprake zijn van energieverspilling; voor bijen en hommels is het op zo’n dag immers ook te koud. Tijdens de gehele bloeiperiode wordt de bloemstengel telkens een stukje langer en steekt daardoor steeds een beetje verder uit boven de omringende begroeiing. Aan het eind van het voorjaar houdt Winterakoniet het voor gezien. Het bladerdek is dan te dicht geworden. De plantjes kunnen geen optimaal gebruik meer maken van zonlicht. Het blad sterft af. Alle verzamelde groeikracht wordt afgevoerd naar kleine ondergrondse worstelstokjes. In afwachting van het volgende voorjaar.

Winterakoniet is hier niet inheems. Oorspronkelijk komt de soort uit Centraal Europa en het gebied van de Balkan en Griekenland. Eenmaal aangeplant blijken plantjes van de Winterakoniet het hier goed te doen. Ze handhaven zich hier prima, maar de soort verspreidt zich niet spontaan over heel Nederland. Men moet de soort echt gericht aanplanten. Winterakoniet is pas laat in Nederland ingevoerd. Dit gebeurde pas grootschalig in de eerste helft van de 19e eeuw, dus nog geen 200 jaar geleden. Veelal bleef aanplant ook nog eens beperkt tot grote tuinen, parken en landgoederen. Dit zijn dan ook de belangrijkste redenen waarom echte Hollandse volksnamen voor deze soort ontbreken.

Alle onderdelen van Winterakoniet zijn giftig. Glycoside blijkt de grote boosdoener. Deze stof veroorzaakt misselijkheid, benauwdheid en leidt soms tot ernstige hartritmestoornissen. Voorzichtigheid is daarom geboden. Al in de Griekse oudheid was de giftigheid van Winterakoniet bekend. Zo bestond één van de heldendaden van Heracles uit het ontvoeren van de hellehond Cerberus. Dit afschrikwekkende, driekoppige monster moest uit het diepste der aarde gehaald worden. Eenmaal geconfronteerd met het felle zonlicht, begon het beest luid te blaffen. Zijn speeksel vloog daarbij in het rond. Overal, waar deze druppels de grond raakte, begonnen winterakonieten te groeien. Daarom het advies: evenals hellehonden kan men ook winterakonieten beter maar niet zonder handschoenen aanpakken. Men is hierbij gewaarschuwd.

 Detail beker- of kokervormig vervormde 
 kroonblaadjes tussen meeldraden
en gele kelkblaadjes.
Vruchtjes lijken sterk op die van Dotterbloem

naar Plant v.d. week Archief