|
Morgenster is echter in alles veel groter. De bloemen zijn
meestal 4 tot 5 centimeter in doorsnee; de witte pluizenbollen
zijn ook een stuk groter dan die van Paardebloem. Het blad is
echter totaal anders. Geen bladrozet dicht tegen de grond
gedrukt, maar vertakte stengels met over de hele lengte
heldergroene of grijsgroene bladeren. Dit blad lijkt wel wat op
dat van gras; het is namelijk lang, smal en meestal wat gebogen.
De meeste soorten van het geslacht Morgenster hebben
heldergele bloemen. Die van de Paarse Morgenster zijn inderdaad
paars van kleur. De groene omwindselblaadjes zijn normaliter een
stuk langer dan de fel gekleurde lintbloemen. Daardoor ontstaan
typische kleurcombinaties: geel – groen of paarsblauw – groen.
Ook worden hierdoor de punten van een ster duidelijk. Een knots,
voorzien van uitstekende ijzeren punten, werd in de Middeleeuwen
ook wel ‘morgenster’ genoemd. Dit geduchte slagwapen heeft
namelijk een treffende gelijkenis met de bloemen van Morgenster.
De lintbloemen van de Oosterse morgenster worden maar liefst 7
centimeter in doorsnee. Ze zijn hierdoor een stuk groter dan de
groene omwindselblaadjes; deze steken dan ook niet uit buiten de
gele bloemen. De groene omwindselblaadjes omsluiten het
bloemhoofdje, opvallend groot en kegelvormig. Deze
omwindselblaadjes zijn niet allemaal even lang; soms steekt er
al wat zaadpluis uit. Hierdoor ontstaat de indruk van een
geitenbaard. Een oud-Nederlandse naam van deze soort luidt dan
ook “Boksbaard”. Dit is de letterlijke vertaling van de
wetenschappelijke (Griekse) soortnaam: Tragopodon. Na de bloei
verschijnt de zilvergrijze pluizenbol, met honderden zaadjes,
elk voorzien van een haarkrans die als ‘parachute’ door de lucht
kunnen zweven. Elk parapluutje kan wel 3 tot 4 centimeter lang
zijn. Net donsveertjes. Normaliter sterft de plant na de bloei
af. Dit afsterven is te voorkomen door de bloemen direct na de
bloei af te knippen. Een dilemma waarmee elke groenbeheerder
worstelt, want hierna deze manier worden natuurlijk geen
pluizenbollen meer gevormd. De opvallende kleuren (geel en
paars) vormen al eeuwenlang een uitdaging voor wetenschappers.
Linnaeus experimenteerde halverwege de 18e eeuw al met
kruisingen tussen Gele morgenster en Paarse morgenster. Hij
probeerde zo een nieuwe soort te scheppen en tegelijkertijd meer
te weten te komen over de erfelijke eigenschappen van de beide
ouders. DNA-onderzoek in een heel vroeg stadium! Paarse
morgenster is te vinden in de Arcadische tuin, vlak bij de
kassen en de kantoorruimte. Oosterse morgenster groeit aan de
voet van het Alpineteum van Hortus Arcadië. Paarse morgenster
(met de wetenschappelijke naam Tragopodon porrifolius) hoort
thuis in de landen rond de Middellandse Zee. Op verschillende
plaatsen in Noord Nederland, vooral op oude dijklichamen, blijkt
de soort echter ook volledig ingeburgerd te zijn. De Oosterse
morgenster kan men af en toe aantreffen in graslanden langs de
grote rivieren. Van oudsher wordt Paarse morgenster gekweekt. De
wortel blijkt een smakelijke maar tegenwoordig ‘vergeten’
groente. Deze wortel heeft qua structuur en smaak veel weg van
de schorseneer, een nauw verwante soortgenoot. De wortels van
Morgenster schijnen naar oesters te smaken; in Amerika noemt men
de soort ook wel “Oysterplant”. Schorseneer heeft paarszwarte
wortels; de wortel van Paarse morgenster is echter juist wit van
kleur. Deze ouderwetse groente noemde men vroeger ook wel
Haverwortel (verbastering van het Duitse Haferwurzel), soms
echter Salzafij (verbastering van het Franse Salsifis). De
wortel van Paarse morgenster werd destijds niet alleen als
groente gebruikt, maar kende ook tal van medicinale doeleinden
toepassingen. Urinedrijvend; tegengaan van hevig transpiratie,
bloedzuiverend, tegen jicht, reumatiek en allerlei huidziekten.
Een goed idee wellicht wanneer er weer eens bezuinigd moet
worden op de ziektekosten.
|
|