“Zo rot als een mispel.” Menigeen kent dit gezegde wel, maar
begrijpt niet altijd waarbij het hier om gaat. Deze aflevering
van “plant van de Week” kan daarbij helpen. Dit keer gaat het
namelijk om de mispelaar en de mispel. Een mispel is namelijk de
vrucht die aan een mispelaar of te wel aan een mispelboom hangt.
De mispel is afkomstig uit West Azië (het huidige Iran – Irak).
Duizenden jaren geleden werd deze fruitboom al in het Perzische
rijk geteeld. De Grieken en Romeinen namen hem meer naar hun
streken en importeerden hem rond het begin van onze jaartelling
in West Europa. Omdat citrusbomen in ons land niet konden
gedijen, vormden mispelbomen tot het eind van de Middeleeuwen
een belangrijke leverancier van Vitamine C (men wist toen al wat
gezond was en wat niet, al had men nog geen
enkele notie van het begrip ‘vitamine’). Men beschouwt de soort
tegenwoordig als inheems. In het Limburgse heuvelland groeien
bomen in bosranden, houtwallen en heggen. Af en toe kan men hem
ook aantreffen in de stuwwalbossen in de omgeving van Nijmegen.
De Botanische Tuin kent ook een aantal fraaie exemplaren; ze
staan langs sommige bospaden.
Afgezien van de mispelvrucht, zijn ook bloem en blad de moeite
waard. Het blad van geen enkele boomsoort voelt zo zacht aan als
dat van de mispelboom. Het 5 tot 15 centimeter lange blad is
zacht als vilt of heel fijne lamswol. Dit donkergroene blad
verkleurt tijdens de herfstmaanden in allerlei prachtig gele en
bruine kleuren. In mei- juni verschijnen forse, crèmewitte
bloemen. Die bloemen verspreiden ook nog eens een heerlijke
geur. Uit de bloemen ontwikkelen zicht ronde, goudbruine
schijnvruchten, de mispels. Ze zijn enigszins schotelvormig
afgeplat en aan de bovenkant “versierd” met de vijf uitgegroeide
kelkbladen van de bloem. De vruchten blijven meestal nog lang na
het afvallen van het blad hangen aan de kale boomtakken. Als ze
tenminste de kans daartoe krijgen. De auteur A.M. de Jong
beschrijft in zijn meerdelige streekroman de kwajongenstreken
van Merijntje Gijzen, waarbij hij met zijn broertje Arjaan
mispels gaat jatten uit de tuin van de pastoor. Uiteraard wordt
bij daarbij betrapt en vervolgens gestraft.
De mispel is een schijnvrucht, want in het sappige vruchtvlees
zitten de vijf eigenlijke, zwarte steenvruchten. Deze pitten kan
maar beter uitspugen, want ze hebben een zeer laxerende
uitwerking.
Mispels krijgen hun lekkere zoetzure smaak pas nadat er een
nachtvorst over is gegaan. Eerder zijn mispels niet te eten.
Door de lage temperatuur begint een gistingsproces, waardoor het
vruchtvlees van de mispels zacht en zoet wordt. Tegenwoordig is
deze lage temperatuur natuurlijk uitstekend na te bootsen door
de mispels een paar dagen (met de steeltjes naar boven) in de
diepvriezer te leggen. Waarom die steeltjes naar boven moeten?
Geen idee! Na de vorstperiode kan men de mispels consumeren.
Bijvoorbeeld door er eerst mispelmoes van te maken (een paar
minuten koken, daarna pureren en zeven). Ook kan men ze rauw
eten: met beide handen openbreken en daarna het vruchtvlees –
ongegeneerd – uit beide helften slurpen. Het kan ook netjes,
namelijk met een lepeltje.
Mispels worden al eeuwenlang gebruikt in adellijke
familiewapens. In bijvoorbeeld het wapen van de graven van Gelre
staan altijd drie gestileerde mispels afgebeeld.
Het gezegde “zo rot als een mispel” gebruikt men tegenwoordig
dikwijls met enige negatieve betekenis. De eigenlijke strekking
is een stuk positiever, namelijk dat een mispel erg smakelijk is
wanneer deze een beetje verrot is …. mits men de mispels maar
niet te lang bewaard. Misschien kunt u voortaan wat vaker een
ander, bijna vergeten gezegde gebruiken: “Met geld en stro
rijpen de mispels”. Het was namelijk een goede gebruik om
mispels droog, liggend op stro te bewaren. Dit oude gezegde
betekent dan ook zoveel als: met wat geduld zal alles heus wel
goed komen!
|
|