door dhr Antoon Kuhlmann

Hulst

 

7 december

Volgens de kalender is het (mid)winter. Sneeuw en ijs ontbreken nog, maar de meeste bomen en struiken staan er nu wel kaal en koud bij. Alleen de naaldbomen kleuren de Botanische tuin op, samen met de enige van nature in Noordwest Europa thuishorende struik die ook ’s winters groen blijft: Hulst. Donkergroen en glimmend blad, versierd met felrode bessen . Wie herkent deze soort niet, zo tegen de kersttijd? Hulst is een soort die in onze omgeving van oudsher thuishoort. Het was een van de eerste soorten die - na de laatste ijstijd – naar onze streken terugkeerde. Ze stellen dan ook weinig eisen aan hun groeiomstandigheden, al hebben ze voorkeur voor gebieden met nogal wat neerslag en arme grond. Hulststruiken groeien soms uit tot kleine bomen van ongeveer 8 tot 10 meter hoog. Ze geven zoveel schaduw dat onder de bomen en struiken normaliter geen andere plantensoorten groeien. Afgezien van de bessen is Hulst het meest bekend door de gekartelde en venijnig scherp gestekelde bladeren. Deze bladeren zijn afgedekt met een dun waslaagje. Dit laagje is bedoeld om te voorkomen dat de struiken te veel vocht verdampen. Een klein, zwart

Hulstvliegje heeft zich erin gespecialiseerd om haar eitjes juist onder dit waslaagje te deponeren. De latere larven vreten zich een weg door het zachte bladgroen. Als gevolg hiervan ontstaan op het hulstblad grijsachtige luchtblazen onder de waslaag. Deze aantasting is vaak te zien.

Het valt met name bij oudere struiken op dat slechts een deel van de bladeren gestekeld is. De vorm van de andere bladeren is gaafrandig en ovaalrond. Een waterdichte verklaring voor dit verschil in bladvorm ontbreekt. Meestal wordt de uitleg gegeven dat de onderste bladeren aan een struik voorzien zijn van stekels om vraatzuchtige dieren af te weren. Bladeren hogerop behoeven zich hiertegen niet meer te wapenen; de stekels zouden daar overbodig zijn. Aan het eind van dit Darwin-jaar ook hier weer een aanpassing aan de omstandigheden; bladstekels als een uiting van natuurlijke selectie. Niet voor niets zijn hulststruiken eeuwenlang gebruikt in hagen en heggen, zodat grazend vee niet ging zwerven. Voor jonge kiemplanten in onze bossen biedt Hulst van oudsher een prima bescherming tegen veevraat. Een volgende generatie bomen kan zo ongehinderd tot stand komen. In kwetsbare gebieden gebruiken natuurbeheerders Hulst daarom graag als levend prikkeldraad. Hulst is een tweehuizige plant. De ene struik draagt alleen maar mannelijke bloemen; de andere slechts vrouwelijke. Om (mooie) bessen te krijgen dienen minstens twee struiken van een verschillend geslacht in elkaars buurt te staan. Hulst bloeit in mei – juni, met kleine crèmewitte bloemetjes. In de loop van de zomer worden knalgroene vruchten gevormd. In de loop van het najaar worden de bessen felrood. Aan sommige struiken zitten spontaan gele bessen. Dit is voor plantenkwekers al snel een goede reden om stekken van zo’n struik te nemen en deze verder te vermeerderen. Kwekers hebben over het algemeen een groot assortiment hulstvariëteiten, met allerlei verschillend gekleurde bessen, bladeren en afwijkende bladvorm. De bessen blijven lang aan de struiken hangen. Vogels doen zich in het begin van de winter tegoed aan bessoorten die ze wat smakelijker vinden. Pas later in het jaar staan hulstbessen op het menu. De bessen zijn niet geschikt voor menselijke consumptie. Ze zijn zelfs licht giftig, vooral voor kinderen. Een groot risico vormen ze echter niet. Er zit namelijk weinig smaak aan de bessen en voor heftige bijverschijnselen moet men wel eerst 30 tot 50 van dergelijke bessen opgegeten hebben. Hulst gebruikt men al eeuwenlang voor allerlei doeleinden. Hulstbomen leveren bijvoorbeeld uitstekend en lang brandend hout. Meubelmakers verwerken het fraai witte hout graag, voor inlegwerk maar ook om er schaakstukken van te maken. Schoorstenen werden geveegd met bundels hulsttakken. Ook was men gewoon om hulsttakken te hangen tussen de gerookte hammen. De uiterst scherp gepunte bladeren bleken een uitstekend afweermiddel tegen muizen en ratten. Van oudsher was men er van overtuigd dat hulstbomen vlak bij woningen bescherming boden tegen blikseminslag. Ook tegenwoordig hechten we nog steeds veel waarde aan kerstgroen. In het bijzonder aan hulsttakken vol rode bessen in het bijzonder. Aan het eind van het jaar halen we dit soort groen naar binnen, als een teken van hoop op nieuw leven, op een nieuwe lente. Deze groene traditie rond de kersttijd is al duizenden jaren oud. Zo versierden de Romeinen eind december hun woningen al met hulsttakken. Ze vierden in deze periode de Saturnalia, het feest van de zonnewende. De takken werden aangebracht ter ere van Saturnus, de god van de landbouw. De oude Germanen haalden aan het einde van het jaar hulsttakken in huis als bescherming tegen heksen, boze geesten en andere kwalijke invloeden. En de katholieke kerk? Kerstgroen bleek een onuitroeibaar bijgeloof. Zij heeft de strijd tegen dit oeroude volksgebruik uiteindelijk opgegeven. Ook in kerkgebouwen en zelfs op het St. Pietersplein staan tegenwoordig kerstbomen en zijn hulsttakken als versiering aangebracht. Waarschijnlijk onder het motto : “If you cannot beat them, join them”.
 

 

 

 

 

 

naar Plant v.d. week Archief

Groene, onrijpe bessen 's zomers

  Rode hulstbessen

Gele hulstbessen

Viertallige hulstbloemen

door hulstvliegje gemineerd blad

Eetbaar blad: volksgebruik

Kerstversiering

Hoe ouder een hulststruik,
des te minder gestekeld blad