In de klassieke oudheid teelden de Grieken en Romeinen deze
soort vanwege de noten eraan. Ze gebruikten de noten voor
voedselbereiding en om er olie uit te persen. Grootschalig werd
de hazelaar geteeld in de stad Avellino, in Zuid Italië. Vandaar
de wetenschappelijke soortaanduiding.
De mannelijke katjes bestaan uit vele tientallen, uiterst kleine
bloemetjes. Elk bloemetje bestaat uit een soort afdakje, met
daaronder ongeveer 10 meeldraden. Zo’n katje bevat op deze
manier vele honderden meeldraden. Deze meeldraden produceren
grote hoeveelheden stuifmeel, dat door de wind wordt verspreid.
Bij windstil weer is dan ook regelmatig een ‘wolkje’ stuifmeel
in de omgeving van de katjes te zien.
Hazelaar heeft mannelijke én vrouwelijke bloemen. De katjes kent
iedereen wel. Men moet echt zijn best doen om de vrouwelijke
bloemen te ontdekken. Die staan apart, dus helemaal los van de
katjes. Een klein onooglijk bolletje, nauwelijks 4 tot 5
millimeter groot. Lichtgroen van kleur. Hierdoor lijken ze een
beetje op de bladknoppen. De stempels steken uit deze bloemetjes
en zijn prachtig dieprood van kleur. Ze hebben wel iets weg van
“mini-zeeanemonen”.
In het groeiseizoen is de hazelaar met haar donkergroene blad
eigenlijk een beetje saai. In het najaar komt daarin weer wat
verandering. Dan verschijnen de noten. Meestal met twee of drie
stuks bij elkaar. Ieder verpakt in een onregelmatig gevormd
omhulsel. De hazelnoten zijn eerst groenbruin van kleur. Later
verkleuren ze licht tot donkerbruin. Ook de bladeren verschieten
dan van kleur: roodbruin en oranjegeel. De volgende generatie
katjes is dan alweer zichtbaar: tot na de volgende winter.
 |
 |
|
Groene hazelnoot |
Bruine hazelnoot |
|
|