De soort groeit bij voorkeur in wat droger en tamelijk kalkrijk
grasland. Het liefst met wat extra warmte, dus tegen een helling
aan. Lekker in de zon.Daarom is Grote centaurie vooral te vinden
in Zuid Limburg. Ook in de Botanische Tuin staat hij vanaf begin
juni al volop in bloei, in de grashellingen onder aan de voet
van het Alpinum.
De wetenschappelijke naam van Grote centaurie luidt Centaurea
scabiosa. Anders dan men wellicht denkt, is het eerste gedeelte
van deze naam geen Latijn maar Grieks. Het duidt waarschijnlijk
op een bergachtig gebied in dit land. “Scabiosa” wijst op
schurft; in vroegere tijden werd Centaurie waarschijnlijk
gebruikt bij de behandeling van deze huidziekte. Grote centaurie
behoort tot de familie van de composieten: ‘samengesteld
bloemigen’. De grote paarsrode bloem, soms wel 5 centimeter in
doorsnee, is dus eigenlijk een verzameling van een groot aantal
kleinere bloemetjes, die allemaal bij elkaar worden gehouden
door een krans groene omwindselblaadjes. Wat we op het eerste
gezicht als bloem beschouwen is dus eigenlijk een grote kluwen
bloemetjes. Bloemetjes die meestal ook nog eens verschillend van
vorm zijn. Aan de buitenkant van Grote centaurie zit een rand
met ver uitstekende, bijna trompetachtige bloemen.
Dit zijn zogenoemde lokbloemen, bedoeld om insecten aan te
trekken. Deze lokbloemen bezitten geen voorplantingsorganen
zoals meeldraden of stampers. De grote groep buisvormige bloemen
in het midden hebben wel meeldraden en stampers.
Dit keer enige speciale aandacht aan meeldraden en stuifmeel.
Een grote groep planten zijn zogenaamd windbestuivers. Berk,
populier, hazelaar en naaldbomen zijn hiervan voorbeelden. Deze
planten produceren een geweldig grote hoeveelheid stuifmeel. Dit
wordt door de wind verspreid…. in de hoop dat op deze manier
andere bloemen worden bevrucht. Bij een andere groep planten
zorgen insecten voor de verspreiding van het stuifmeel. Op zoek
naar honing komen insecten op de bloemen af; stuifmeel hecht
zich daarbij aan het harige insectenlijf of aan hun poten.
Hierna vliegen ze naar een volgende bloem. Zo verspreiden ze het
stuifmeel van de ene naar de andere bloem en zorgen er voor
bevruchting tot stand komt. Bij Grote centaurie is iets
speciaals aan de hand. Deze plantensoort wordt weliswaar door
insecten bestoven maar er is totaal geen sprake van verkwisting.
“Ons bin zunig!” De meeldraden met het stuifmeel zitten
opgesloten in kokervormige buisbloemen. Alleen wanneer een
insect deze bloemen aanraakt, buigen de meeldraden naar buiten
en kan het stuifmeel zich aan de bezoeker hechten. Dit gebeurt
echter alleen wanneer dit insect voldoende zwaar is. Een vlieg
of een vlinder, zelfs een bij wordt te licht bevonden. Grote
centaurie houdt van zwaargewichten, van hommels! Alleen bij
bezoek van een dikke hommel buigen de meedraden naar buiten.
Bijna altijd zijn in de buurt van een bloeiende Grote centaurie
daarom wel hommels te ontdekken.
Een andere bijzonderheid zijn de omwindselblaadjes die de
groep bloemetjes samengebundeld houden. Elk omwindselblaadje is
een kunstwerk op zich. Groengrijs van kleur, alsof ze
geëmailleerd zijn. Ze zijn als het ware afgebiesd met een donker
gekleurde franjerand. De overbekende blauwe Korenbloem (Centaurea
cyanus) is een naast familielid van de Grote centaurie, evenals
Knoopkruid (Centaurea jacea) dat vaak in bloemrijke bermen
groeit. Ook deze soorten hebben mooi getekende
omwindselblaadjes, maar bij lange na niet zo fraai als die van
Grote centaurie. |
|