door dhr Antoon Kuhlmann

Gaspeldoorn

 

24 januari

Het plantenrijk kent een aparte groep ‘naaktbloeiers’. Dit zijn bomen of struiken die ’s winters bloeien. Op het kale hout, nog voordat ze in het blad komen. Sommige voorbeelden hiervan vallen niet zo erg op, zoals Zwarte els, Gele kornoelje en Gewone hazelaar. Andere soorten spreken juist wel erg tot ieders verbeelding. Zo siert de Toverhazelaar (Hamamelis) hartje winter de tuinen en parken niet alleen op met een goudgele kleurenpracht maar ook met een heerlijk zoete geur. Van grote afstand zijn ze al op te merken. Eenmaal in bloei hebben naaktbloeiers meestal snel te lijden van temperaturen onder nul. Bloemen vriezen kapot, maar bloemknoppen blijven onaangetast. Na een ijsperiode begint de bloei opnieuw; vorst en sneeuw zijn normaliter al snel vergeten. Gaspeldoorn rekent men - eigenlijk ten onrechte - ook tot

deze groep ‘naakbloeiers’. De hoofdbloei van Gaspeldoorn valt in de maanden april en mei. Toch zitten de struiken ook ‘s winters al vol met fraaie gele bloemen. Met een laagje sneeuw erop, bieden de bloeiende gaspeldoornstruiken een kleurrijk en vrolijk stemmend geheel. Ze vormen dan een voorbode van de lente.

Toch is Gaspeldoorn geen echte ‘naaktbloeier’. Schijn bedriegt. Sterker nog, de soort is eigenlijk wintergroen, al valt er geen blad aan de struiken te ontdekken. Niet ’s winters, maar ook niet ’s zomers. Als aanpassing op de natuur hebben de bladeren van Gaspeldoorn zich in de loop van duizenden jaren omgevormd tot doornen. Naaldvormige en vlijmscherpe doornen, meestal grijsgroen van kleur en 1 tot 4 centimeter lang. Deze doornen zitten boordevol met bladgroen. Dit bladgroen levert ’s winters bij wat hogere temperaturen genoeg energie om de struiken in bloei te zetten.
Gaspeldoorn behoort tot de familie van de Vlinderbloemachtigen. De goudgele bloemetjes lijken sterk op die van bijvoorbeeld Brem of Gouden regen. Na de bloei verschijnen bruinrode peulvruchten die circa 2 cm groot zijn. In deze peulen zitten een rijtje glanzende zaden. De nieuwe bloemknoppen zijn al in het late najaar te zien. Deze bolle kogeltjes hebben een bruinviltige bedekking, als een soort fleecelaag ter bescherming van de winterkou die later in het jaar ongetwijfeld zal volgen.
De naam Gaspeldoorn is als eeuwenoud. Tijdens de Middeleeuwen gebruikte men al de naam gaspel. Dit was een soort haak of gesp om kleding bij elkaar te houden. Men gebruikte daar ook wel naalden voor. Men was destijds gewoon om Gaspeldoornstruiken te planten in heggen en hagen. Zo ontstonden afscheidingen die ondoordringbaar bleken voor de veestapel. Men was toen helemaal afhankelijk van doornachtige struiken zoals Meidoorn, Sleedoorn en Gaspeldoorn. Prikkeldraad bestond namelijk nog niet. Dit afrasteringsmateriaal werd pas kort voor de Tweede Wereldoorlog uitgevonden.

Van oudsher werd Gaspeldoorn beschouwd als een uiterst effectief middel om heksen, duivels en andere boze geesten af te weren. In sommige gebieden van Europa, zoals in Ierland, hangt men daarom nog steeds een paar Gaspeldoorntakken boven de voordeur. Om dezelfde reden plantte men ook vaak Gaspeldoornstruiken in de buurt van woningen. Bijkomend voordeel was dat deze struiken zich goed leenden om hierop het wasgoed te drogen te leggen. Als een soort alternatieve drooglijn; de doornen hielden het wasgoed prima vast en wasknijpers waren overbodig.
Gaspeldoorn is een uitgesproken zonaanbidder. De soort geeft voorkeur aan een plek in de volle zon. Bij lichte beschaduwing wordt de bloei al snel een stuk minder. Ook moet de grond het liefst niet te vruchtbaar zijn; arme zandgrond is gewoonlijk al meer dan voldoende. Gaspeldoorn groeit van nature in West Europa, in een brede strook langs de Atlantische kust, van Scandinavië in het noorden tot Portugal in het zuiden. Inclusief de Britse eilanden en Ierland. Ook in de Botanische tuin is deze winterbloeier te bewonderen. Er staan enkele struiken vol grijsgroene doornen in het heidegedeelte en vlak bij het Alpinum.

De groei van Gaspeldoorn is niet beperkt gebleven tot West Europa. De plant is tweehonderd jaar geleden ook overgebracht naar Noord en Zuid Amerika, naar Australië en Nieuw Zeeland. Deze exportactiviteit bleef niet zonder gevolgen! In veel van deze gebieden kon de soort zich explosief ontwikkelen. Zo erg zelfs dat de soort in bijvoorbeeld in Australië, Nieuw Zeeland en Chili aangemerkt is als ‘onkruidsoort van nationaal belang’. Verschillende landen voelden zich genoodzaakt om de oorlog aan deze soort te verklaren. Hier wordt Gaspeldoorn met zijn venijnige doornen beschouwd als nationale vijand. Twee zwaarwichtige redenen heeft men hiervoor. Ten eerste vormen Gaspeldoornstruiken in bedoelde landen zo’n dicht struweel dat inheemse plantensoorten geen kans meer zien om te kiemen en vervolgens tot wasdom te komen. Ten tweede blijft in de struiken van Gaspeldoorn gemakkelijk veel afgevallen blad en dor gras hangen. In tijden van droogte zijn Gaspeldoornstruiken daarom ware brandbommen. Het droge materiaal vat gemakkelijk vlam. Daarbij komen ook nog eens gemakkelijk ontvlambare etherische oliën vrij uit de takken en naalden van Gaspeldoorn. Deze combinatie zorgt er voor dat bosbranden zich razendsnel kunnen verspreiden. Op televisie zijn dit langzamerhand overbekende beelden. Het is goed om te weten dat Gaspeldoorn dit soort natuurcatastrofes vaak mede in de hand heeft gewerkt. Daarbij heeft Gaspeldoorn ook nog eens niet echt te lijden van bosbranden. De bovengrondse delen verbranden weliswaar binnen een paar tellen, maar kort na de bluswerkzaamheden lopen de struiken al weer heel snel uit met frisse scheuten vanuit het wortelstelsel. Als of er niets gebeurd is; het begin van een nieuwe cyclus. Verschillende landen willen hier paal en perk aan stellen.

 

naar Plant v.d. week Archief

 

Bloem en bloemknoppen tegen lage temperaturen viltig ingepakt

Peulvruchtje Gaspeldoorn

Bloemknoppen Gaspeldoorn (oktober)
Bloemknoppen Gaspeldoorn (januari)

Bevroren bloem Gaspeldoorn;
na vorstperiode begint de bloei
weer opnieuw