door dhr Antoon Kuhlmann

Engbloem

 

29 november

Wanneer een plant een naam als Engbloem draagt, dan is het toch onvermijdelijk dat achter zo’n naam een verhaal schuilt. Waarom deze raadselachtige naam? Aan de plant zelf is eigenlijk niet zoveel bijzonders te ontdekken. Geen opvallende bladvorm en een normaal groene bladkleur. Op het eerste gezicht eenvoudig witte bloemetjes, al weten de echte plantenkenners hierover nog een heel verhaal te houden. Bij de vruchten gaan ieders wenkbrauwen waarschijnlijk al wat omhoog. Het zijn rolronde, torpedoachtig en scherp toegespitste kokervruchten. Knalgroen in de nazomer, na verloop van tijd steeds geler en bruiner. De vorm van die vruchten vormt echter nog geen verklaring van de naam Engbloem. De wetenschappelijke naamgeving Vincetoxicum hirundonaria geeft meer houvast. Het Latijnse vincere betekent ‘overwinnen’; toxicum staat voor ‘vergif’. Dus: de plant die vergif overwint. Engbloem is namelijk braakverwekkend en werkt daardoor als tegengif. Inname blijkt een prima remedie te zijn bij bijvoorbeeld voedselvergiftiging. Hierbij dient men echter wel goed uit te kijken. Het gebruik van dit tegengif luistert namelijk erg nauw.

Men gebruikt al snel te veel van het goede. In plaats van tégengif gaat de plant dan juist werken als vèrgif. De wal keert dan het schip. Ook bij verschillende andere plantensoorten is soms sprake van een kritisch kantelpunt tussen een heilzame of juist een schadelijke uitwerking. Overigens alle delen van Engbloem zijn giftig. De giftige stof vincetoxicine zit in zowel de bladeren, de wortels, de vruchten als in de zaden. Oppassen dus.

Zoals gezegd ziet Engbloem er eigenlijk niet zo bijzonder uit. Het is een vaste plant die ongeveer 1 meter hoog wordt. De donkergroene bladeren staan telkens twee aan twee en gekruist tegenover elkaar. In de bladoksels verschijnen trosjes met witte bloemen van nog geen centimeter groot. Deze bloemen kennen echter wel middenin een speciale opbouw. Deze is bedoeld om bestuiving door insecten mogelijk te maken. Ditzelfde is ook te zien bij een familielid, de bekende kamerplant Hoya – wasbloem. Na de bloei worden rolronde, spits toelopende vruchten gevormd, elk zo’n 5 tot 8 cm lang. Deze twee kokervruchten samen zouden sterk lijken op een zwaluwstaart. Het kost enige moeite om deze overeenkomst te herkennen. Deze gelijkenis is ook terug te vinden in de wetenschappelijke benaming. Het Latijnse hirundonaria betekent namelijk ‘lijkend op een zwaluw’. In Duitsland wordt de soort dan ook Schwalbewurzel genoemd, zwaluwwortel; in het Engels Swallow-wort, zwaluwkruid.

Menigeen zal de neiging niet kunnen onderdrukken om de typische spitse vruchten open te peuteren. Men kan hiervoor beter wachten tot de herfst. Dan barst de vrucht overlangs open. De binnenkant vormt dan een glinsterend wit schaaltje, bijna als een open mosselschelp. Daarin liggen rijtjes met donkerbruine zaden, elk voorzien van een bundel lange, zilverwitte haren. Deze haren helpen bij de verdere verspreiding door de wind, op eenzelfde manier als bij uitgebloeide paardenbloemen. Begin december zijn de opengebarsten kokervruchten en de spierwitte zijdedraden van de Engbloem-zaden nog steeds te zien vanaf het wandelpad langs een van de bosranden van de Botanische tuin (Zuidoost hoek). Hieruit blijkt dat de soort zich hier in Nijmegen prima op zijn plaats voelt. Een opmerkelijke constatering, want het verspreidingsgebied van Engbloem maakt een wijde bocht om Nederland heen. De plant is inheems ten zuiden van een hol gebogen lijn vanaf Zuid Zweden tot aan de kust van Vlaanderen. De soort mijdt Nederland volledig, met uitzondering van het zuidelijkste puntje van Zuid Limburg. Soms vindt men nog wel eens een exemplaar in de uiterwaarden langs de grote rivieren. Er is overigens sprake van twee Engbloemsoorten: de Witte en de Zwarte. Witte engbloem groeit rechtop en heeft witte bloemen. Zwarte engbloem slingert zich in andere planten en draagt donkerpaarse bloemen. Beide, zeer zeldzame soorten staan op de Rode lijst.

Witte engbloem behoort tot de groep van ‘Antoniusplanten’. Deze aanduiding vraagt enige toelichting. In de late middeleeuwen, zo tussen 1400 en 1500, maakten tal van bekende kunstenaars schilderijen en altaarstukken waarop de heilige Antonius de Kluizenaar staat afgebeeld. [Niet te verwarren met zijn bekende naamgenoot de heilige Antonius van Padua die leefde in het begin van de 12e eeuw; de kluizenaar St. Antonius stierf in het jaar 356, op een gezegende leeftijd van 105 jaar]. Bijvoorbeeld Jeroen Bosch en Matthias Grünewald schilderden deze heilige Antonius telkens met allerlei planten aan zijn voeten. Ze brachten deze planten uiterst gedetailleerd in beeld. Zo nauwkeurig zelfs dat ze vanaf de schilderstukken gemakkelijk op naam gebracht kunnen worden zoals Madeliefje, Wilgeroosje, Betonie, IJzerhard, Paardenbloem en ook Engbloem. Ongeveer twintig verschillende soorten. Schilders waren 500 jaar geleden blijkbaar al zo bekend met de kenmerkende verschillen tussen al deze plantensoorten dat ze deze botanische – en wellicht ook medicinale - kennis via hun schilderstukken graag verder wilden verspreiden.

naar Plant v.d. week Archief