|
Men gebruikt al snel te veel van het goede. In plaats van
tégengif gaat de plant dan juist werken als vèrgif. De wal keert
dan het schip. Ook bij verschillende andere plantensoorten is
soms sprake van een kritisch kantelpunt tussen een heilzame of
juist een schadelijke uitwerking. Overigens alle delen van
Engbloem zijn giftig. De giftige stof vincetoxicine zit in zowel
de bladeren, de wortels, de vruchten als in de zaden. Oppassen
dus.
Zoals gezegd ziet Engbloem er eigenlijk niet zo bijzonder uit.
Het is een vaste plant die ongeveer 1 meter hoog wordt. De
donkergroene bladeren staan telkens twee aan twee en gekruist
tegenover elkaar. In de bladoksels verschijnen trosjes met witte
bloemen van nog geen centimeter groot. Deze bloemen kennen
echter wel middenin een speciale opbouw. Deze is bedoeld om
bestuiving door insecten mogelijk te maken. Ditzelfde is ook te
zien bij een familielid, de bekende kamerplant Hoya – wasbloem.
Na de bloei worden rolronde, spits toelopende vruchten gevormd,
elk zo’n 5 tot 8 cm lang. Deze twee kokervruchten samen zouden
sterk lijken op een zwaluwstaart. Het kost enige moeite om deze
overeenkomst te herkennen. Deze gelijkenis is ook terug te
vinden in de wetenschappelijke benaming. Het Latijnse
hirundonaria betekent namelijk ‘lijkend op een zwaluw’. In
Duitsland wordt de soort dan ook Schwalbewurzel genoemd,
zwaluwwortel; in het Engels Swallow-wort, zwaluwkruid.
Menigeen zal de neiging niet kunnen onderdrukken om de typische
spitse vruchten open te peuteren. Men kan hiervoor beter wachten
tot de herfst. Dan barst de vrucht overlangs open. De binnenkant
vormt dan een glinsterend wit schaaltje, bijna als een open
mosselschelp. Daarin liggen rijtjes met donkerbruine zaden, elk
voorzien van een bundel lange, zilverwitte haren. Deze haren
helpen bij de verdere verspreiding door de wind, op eenzelfde
manier als bij uitgebloeide paardenbloemen. Begin december zijn
de opengebarsten kokervruchten en de spierwitte zijdedraden van
de Engbloem-zaden nog steeds te zien vanaf het wandelpad langs
een van de bosranden van de Botanische tuin (Zuidoost hoek).
Hieruit blijkt dat de soort zich hier in Nijmegen prima op zijn
plaats voelt. Een opmerkelijke constatering, want het
verspreidingsgebied van Engbloem maakt een wijde bocht om
Nederland heen. De plant is inheems ten zuiden van een hol
gebogen lijn vanaf Zuid Zweden tot aan de kust van Vlaanderen.
De soort mijdt Nederland volledig, met uitzondering van het
zuidelijkste puntje van Zuid Limburg. Soms vindt men nog wel
eens een exemplaar in de uiterwaarden langs de grote rivieren.
Er is overigens sprake van twee Engbloemsoorten: de Witte en de
Zwarte. Witte engbloem groeit rechtop en heeft witte bloemen.
Zwarte engbloem slingert zich in andere planten en draagt
donkerpaarse bloemen. Beide, zeer zeldzame soorten staan op de
Rode lijst.
Witte engbloem behoort tot de groep van ‘Antoniusplanten’. Deze
aanduiding vraagt enige toelichting. In de late middeleeuwen, zo
tussen 1400 en 1500, maakten tal van bekende kunstenaars
schilderijen en altaarstukken waarop de heilige Antonius de
Kluizenaar staat afgebeeld. [Niet te verwarren met zijn bekende
naamgenoot de heilige Antonius van Padua die leefde in het begin
van de 12e eeuw; de kluizenaar St. Antonius stierf in het jaar
356, op een gezegende leeftijd van 105 jaar]. Bijvoorbeeld
Jeroen Bosch en Matthias Grünewald schilderden deze heilige Antonius telkens met allerlei planten aan zijn voeten. Ze
brachten deze planten uiterst gedetailleerd in beeld. Zo
nauwkeurig zelfs dat ze vanaf de schilderstukken gemakkelijk op
naam gebracht kunnen worden zoals Madeliefje, Wilgeroosje,
Betonie, IJzerhard, Paardenbloem en ook Engbloem. Ongeveer
twintig verschillende soorten. Schilders waren 500 jaar geleden
blijkbaar al zo bekend met de kenmerkende verschillen tussen al
deze plantensoorten dat ze deze botanische – en wellicht ook
medicinale - kennis via hun schilderstukken graag verder wilden
verspreiden.
naar Plant v.d.
week Archief |
|